een standpunt van Marnix Beyen, docent geschiedenis UA

In De Standaard van vrijdag 29 februari 2008 een reactie op het Gravensteenmanifest door Marnix Beyen, docent geschiedenis aan de universiteit Antwerpen onder de titel

Een zelfverslindende democratie

Dat de aanslepende crisis intellectuelen ertoe brengt het politieke systeem en zelfs het bestaan van België ter discussie te stellen mag verwondering noch verontwaardiging wekken. Het Belgische staatsverband is nu eenmaal niet heilig en vermoedelijk ook niet eeuwig. Wat wél shockeert, is dat de Gravensteengroep haar argumentatie baseert op een erg eenzijdige, ja zelfs kwaadwillige lezing van het Belgische verleden.

'Bij het ontstaan van België', beweren de 17 intellectuelen, 'heeft de francofone burgerij de kans schoon gezien haar prioriteiten veilig te stellen door een regime te installeren dat essentieel op sociale ongelijkheid en discriminatie van de Vlaamse taal en bevolking was gebaseerd.' Het toeschrijven van bewuste persoonlijke intenties ('zijn kans schoon zien') aan een vaag omschreven groep ('de francofone bourgeoisie') toont al meteen dat een zorgvuldige omgang met het verleden niet de grootste zorg is van deze intellectuelen.

Uiteraard werd een deel van de burgerij gedreven door egoïsme en berekening bij haar deelname aan de Belgische Revolutie, maar het getuigt van een achterhaald soort historisch materialisme hierin haar enige drijfveer te zien. De creatie van een nieuw regime in 1830-1831 was overigens niet de machtsgreep van één sociaal-economische groep, maar een moeizaam onderhandelingsproces waarin ook democratische krachten, de katholieke clerus én adellijke grootgrondbezitters hun aandeel hebben gehad. Het resultaat was een eclectisch geheel, dat de ontplooiing van verschillende deelbelangen mogelijk maakte. Daardoor droeg het 'Belgische regime' ongetwijfeld een grotere democratische potentie in zich dan de dominante burgerij het had gewenst.

Men kan zich zelfs terecht de vraag stellen of dat regime niet té democratisch was voor zijn tijd: het gaf immers al ontplooiingskansen aan deelgroepen nog vóór zich een hechte nationale gemeenschap had kunnen vormen. In die zin stond het bloot aan wat de Indische politieke wetenschapper Sunil Khilnani 'the self-devouring capacities of modern democratic politics' noemde. Juist doordat zij de omstandigheden creëren waarbinnen allerhande deelgroepen een politieke stem kunnen krijgen, ondergraven democratische regimes op termijn zichzelf. Deze verschillende groepen gaan immers in de eerste plaats hun eigen belangen nastreven, veeleer dan die van het overkoepelende politieke systeem.

De Belgische politieke geschiedenis toont verschillende voorbeelden van dit mechanisme. De manier waarop de katholieke bevolkingsgroep erin geslaagd is een groot segment van het onderwijssysteem aan de greep van de staat te onttrekken, is misschien wel het meest opvallende. Maar in ruimere zin zijn de verzuiling en de immense macht van de politieke partijen in dit land grotendeels aan ditzelfde mechanisme te wijten. Ook de ontwikkeling van een Vlaamse en een Waalse subnatie heeft in hoge mate kunnen profiteren van dit fundamenteel democratische karakter van het Belgische staatsbestel. Deze processen creëerden ongetwijfeld heel wat frustratie bij dat deel van de Franstalige burgerij dat had gehoopt binnen het Belgische kader haar eigen dominantie duurzaam te vestigen. Die frustraties uiten zich tot vandaag in een hardnekkig ontkennen van taalrechten van de Vlamingen of zelfs in een actieve verfransingsdrang. Deze fenomenen vormen echter niet de kern van het Belgische politieke systeem.

Het zelfverslindende karakter van de Belgische democratie heeft zich gedurende de laatste decennia ook gemanifesteerd in de federalisering. Dat proces werd gedetermineerd door een voortdurende interactie tussen de verzuchtingen van de subnaties en de unitaristische weerstanden die deze opriepen. De belangen van de federatie werden door geen enkele groep principieel verdedigd. Zij leek eerder een noodzakelijk kwaad dan een nastrevenswaardig goed.

Indien ik mijn lezing van de politieke geschiedenis van België tegenover die van de Gravensteengroep wil plaatsen, dan doe ik dit niet vanuit de wil hieruit ook andere conclusies voor de politieke toekomst van het land te plaatsen. Zo zinloos als het is de strijd voor meer Vlaamse autonomie te baseren op het idee van een 'historisch onrecht', zo zinloos is het immers ook zich aan België vast te klampen vanuit de democratische erfenis van dat land. Indien ik mij uitspreek voor een versterking van het federaal bestel, dan doe ik dit niet vanuit gehechtheid aan een 'Belgisch status-quo', maar integendeel omdat ik geloof dat de uitbouw van een reële federatie - met een reële autonomie van de gewesten - een beter antwoord zou bieden op eigentijdse uitdagingen dan de lineaire decentralisatie die de Gravensteengroep voorstelt.

Marnix Beyen doceert geschiedenis aan de universiteit Antwerpen

Reageren

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.