De maskers vallen af: het gaat (ook) om ordinaire gebiedsroof

NvdR: ondertaand artikel publiceren we hier volledig, maar zonder de 31 voetnoten en de vele - interessante- verwijzingen naar oorspronkelijke bronnen. Wie de tekst met voetnoten en bronnen wil lezen, kan meteen overstappen naar de website van Matthias Storme, en hier.. verder lezen

De retoriek van le droit des gens
Jarenlang hebben we het moeten horen: de (valse) tegenstelling die franstalige media, academici en politici maakten tussen een Vlaanderen dat alleen maar kan denken vanuit “le droit du sol” en de morele superioriteit van de franstaligen voor wie “le droit des gens” geldt, voor wie de mensen voorrang zouden hebben op de grond. Daarbij misbruikte men doelbewust de dubbelzinnigheid van de uitdrukking “droit des gens”. Die betekent namelijk ook “volkenrecht” in de zin van volkenrecht, d.i. het internationaal recht dat franstaligen in België al enkele decennia proberen voor de kar te spannen van hun revanchisme, van hun reactie tegen het feit dat “on nous a pris la Flandre”. Dat volkenrecht wordt bewust op één lijn gesteld met een andere invulling van de uitdrukking, die zou inhouden dat waar mensen zich ook vestigen, de overheid aldaar en de omgeving zich maar moet aanpassen – althans wanneer die mensen tot de “hogere” franse beschaving behoren natuurlijk. Want, zoals wij ook al lang weten, bestaat die invulling van le droit des gens in geen enkel land of gewest waar de franstaligen het alleen voor het zeggen hebben, niet in Frankrijk, niet in de franstalige kantons in Zwitserland, niet in Wallonië en al helemaal niet in Québec. En bij de uitdrukking “droit du sol” (ius soli) vergat men ook uit te leggen dat die de tegenpool vormt van “le droit du sang” (ius sanguinis) en rechtshistorisch op de eerste plaats te maken heeft met de regels inzake verwerving van nationaliteit. Men vergat ook dat het “territorialiteitsbeginsel” het tegendeel is van het “personaliteitsbeginsel”: de tegenstelling tussen het beginsel dat iedereen op een bepaald grondgebied onder dezelfde wet leeft en gelijk is voor die wet tegenover het beginsel dat de wet niet dezelfde is voor iedereen maar afhankelijk is van de etnische (of religieuze) groep waartoe men behoort. Ik breng het maar even kort in herinnering voor wie niet meer weet dat hier natuurlijk veel meer achter zit.

De maskers vallen af
In het zog van de discussie over de aanpassing van de kieskringen (ja, die zijn inderdaad per definitie territoriaal) aan de grondwettelijke indeling van België als federale staat, laten steeds meer franstalige politici en academici echter het masker vallen. Hun verzet tegen de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde (die wel degelijk de enige mogelijkheid is om zonder grondwetswijziging de wet aan te passen aan de grondwet) heeft namelijk alles te maken met ….. grondhonger, met ordinaire gebiedsroof. Hun verzet tegen de splitsing heeft alles te maken met het in vraag stellen van de bestaande deelstaatgrenzen bij het nakende einde van België. Dat blijkt (opnieuw) uit een aantal recente uitspraken.

Op de eerste plaats is er het voorstel van Prof. Jacques Autenne in La Libre Belgique van 21 mei 2008. Die is nog “gematigd” in zijn gebiedsaanspraken: hij eist behalve overgangsmaatregelen voor franstaligen in Vlaanderen alleen maar de overdracht aan Wallonië van alle verbindingswegen tussen Brussel en Wallonië: snelwegen, wegen en spoorwegen, rivieren en kanalen. Door Sint-Genesius-Rode, maar ook door Overijse en zelfs Halle. Maar geen bewoonde gebieden (wellicht is het feit dat hij in Tervuren woont en het daar blijkbaar toch zo slechts niet stelt in Vlaanderen daar de oorzaak van).
Bij anderen daarentegen gaat het er heel duidelijk om, om de regels van het volkenrecht meer dan een beetje te forceren en naar franstalige handen te zetten en door middel van een aberrante interpretatie van de “uti-possidetis”-regel bij het uiteenvallen van België een groot stuk van Vlaams-Brabant in te palmen in de nieuwe staat Wallobruxia. Wanneer Karel de Gucht in le Soir van 26 januari duidelijk stelt dat de taalgrens een staatsgrens is, roept op 28 januari de Brusselse voorzitter van de rassemblement Wallonie-France BHV uit tot “Un enjeu d’état”. Enkele dagen na een interview met de Luikse hoogleraar grondwettelijk recht, prof. Christian Behrendt in Le Soir (zie verder) legt Paul Piret in La Libre Belgique van 8 mei 2008 de reden uit voor het verzet tegen de splitsing van de kieskring : “ Le pays viendrait-il à éclater, à quelque terme, le droit international reconnaît généralement à une nouvelle entité le territoire qu'elle possédait auparavant - sans quelque maintien de BHV, les frontières étatiques n'en coïncideraient que mieux avec la frontière linguistique, Bruxelles davantage "enclavé" en Flandre”.

En op enkele dagen tijd laten de franstalige kopstukken – Maingain, di Rupo, Onkelinx - het masker vallen. Maingain in Le Soir van 17 mei over de reden van het verzet tegen de splitsing: “De Franstaligen moeten aan de toekomst denken, nadenken in termen van territorium, van toekomstige grenzen, anders zullen ze gestrikt worden." Di Rupo spreekt zelfs uitdrukkelijk van “geostrategische redenen” in Le Soir van 26 mei 2008: het behoud van de kieskring BHV, het gerechtelijk arrondissement BHV, en de faciliteiten maken dat de taalgrens géén staatsgrens is. In antwoord op de Vlaamse “strategie” om door de afschaffing daarvan de taalgrens te bevestigen als een potentiële staatsgrens, wil di Rupo Brussel en Wallonië verenigen. En het is duidelijk dat hij ook een fysieke, geografische vereniging bedoelt, dus de inpalming van een stuk Vlaams-Brabant. (Oui. Voici mon raisonnement… Les francophones autour de Bruxelles ont trois types de droits liés aux personnes : un droit électoral, leur permettant de voter pour des personnalités bruxelloises; ils peuvent être jugés en français en justice; enfin, il y a les facilités dans six communes. Ces trois types de droits constituent comme des ponts, qui enjambent la frontière linguistique, signifiant qu'elle n'est pas une frontière d'État. Toute la stratégie des responsables politiques flamands est de faire sauter ces ponts l'un après l'autre, afin d'isoler Bruxelles en Flandre, et d'affirmer la frontière linguistique comme une frontière d'État potentiellement. Ce schéma, nous n'en voulons pas. Il ne passera pas”. En Onkelinx stelde op 31 mei in de Standaard: “Brussel-Halle-Vilvoorde gaat over: hebben Wallonië en Brussel al dan niet een aparte toekomst? BHV gaat natuurlijk ook de verdediging van de Franstaligen die in de Rand leven, maar dat is niet de kern van de discussie”, en op de opwerping “Met een formule als inschrijvingsrecht zouden de Franstaligen uit de Rand nog kunnen stemmen voor iemand in Brussel” volgt het antwoord: “Wie in Vlaanderen nog gelooft dat het daarover gaat, begrijpt niets van de gevoeligheid van de francofonen. BHV is echt veel fundamenteler dan dat. Dat maakt de discussie zeer moeilijk”. Het gaat dus niet om minderheidsrechten voor franstaligen, maar om het veel “fundamentelere”: franstalige gebiedsuitbreiding. En het Wallobruxia-verhaal doet ook een ander masker afvallen: dat een uitbreiding van Brussel toch niet zo erg zou zijn aangezien het Vlaams-Brabant alleen maar tweetalig zou maken; het gaat niet meer om de uitbreiding van tweetalig gebied, maar om de inrichting van een ééntalig Franse ruimte, zoals België eertijds werd geconcipieerd, waar de nederlandstaligen zoals in 1831 nog wel lokaal hun patois mogen gebruiken.

Het was enkele wakkere Vlaamse academici en bloggers natuurlijk ook al opgevallen: op de eerste plaats Bart Maddens in de Standaard van 24 mei 2008 (nog voor de uitspraken van di Rupo), verder Filip van Laenen op Brussels Journal (B-H-V en de Geo-Strategie van Elio di Rupo) en In Flanders Fields van 26 mei en Philippe van den Abeele op Nieuw Pierke op 28 mei 2008 (Hier te lezen ...).

Een beetje voorgeschiedenis van speuren in de juridische gereedschapskist
Natuurlijk is die expansionistische mentaliteit niets nieuws. Ook de analyse van de instrumenten uit het volkenrecht die men daarvoor kan inzetten, is al decennia aan de gang in de franstalige universiteiten en politieke middens. Even ter herinnering: een toen nog grotendeels franstalig Hof van cassatie decreteerde in 1971 de voorrang van het volkenrecht op de Belgische wetgeving. Op dat ogenblik ging het alleen over de voorrang van geratificeerde verdragen op de gewone wet en was de beslissing in casu ook correct, maar ze werd wel in veel ruimere bewoordingen gesteld. Vandaag beweren franstalige academici dat het volkenrecht ook voorrang zou hebben op de grondwet en dat ook niet geratificeerde verdragen zoals het Minderhedenverdrag voorrang zouden hebben op het Belgische recht omdat het om “mensenrechten” zou gaan.
De eerste inhoudelijke piste die men uitgeprobeerd heeft en blijft uitproberen is die van de zogenaamde taalvrijheid. Hiermee hebben de franstalige internationale grotendeels bot gevangen (met name het arrest van het EHRM over enkele aspecten van de taalwetgeving, , waar men enkel de zeer beperkte “liberté du père de famille” bekwam…; verder ook het arrest-Mathieu-Mohin / België van 2 maart 1987). Sommige franstalige academici hebben daaruit afgeleid dat ze wellicht beter “bediend” zouden kunnen zijn door het toch nog steeds erg franstalige en staasbehoudende Hof van cassatie en begonnen te pleiten voor grondwettigheidstoetsing door de gewone rechter (en niet door de Raad van State die toen al als te flamingant werd bestempeld). Procureur-generaal bij het Hof van cassatie Walter Ganshof van der Meersch pleitte vanaf toen voor grondwettigheidstoetsing door het Hof van cassatie.

Het tweede spoor dat men vandaag zeer sterk bewandelt is dat van de zogenaamde minderhedenbescherming, gewapend met de formidabele doublespeak van dat intussen beruchte minderhedenverdrag (zie daarover mijn toespraak bij de uitreiking van de orde van de Vlaamse leeuw). Door de oprichting van een paritair Grondwettelijk Hof kon men de Vlamingen alvast niet meer sociologisch minoriseren bij de grondwettigheidstoetsing van wetten en werd het spoor van de voorrang van het volkenrecht weer belangrijker. Zou het toeval zijn dat het Hof van cassatie het volkenrecht nu ook boven de Grondwet ging stellen (onder meer in het juridisch schandelijke Vlaams-Blok-arrest van 9 november 2004). Nu, wat die piste van de minderheidsrechten betreft, heeft het feit dat Frankrijk en Québec in deze aan de Vlaamse kant staan, de geloofwaardigheid van het franstalig verhaal niet echt geholpen, en de pietluttigheden waarover men telkens komt zaniken hebben ook in het buitenland toch enige ogen doen opengaan. Dat men al 40 jaat bot vangt bij internationale rechtscolleges en enkel via gemakkelijker te manipuleren internationale politieke organen enige aandacht krijgt geeft misschien toch te denken. Maar goed, met de twee genoemde sporen kon men zijn strategie vervolgen zolang men nog kon volhouden dat er in België geen interne grens was: de basisidee was altijd dat de zogenaamde rechten van de franstaligen in heel België moesten gelden.
Nu men niet meer in het voortbestaan van België gelooft en de taalgrens op korte termijn een staatsgrens dreigt te worden, wordt het derde spoor echter een stuk dringender: de territoriale expansie.

Het derde spoor botst tegen het volkenrecht
Daarbij botst men echter tegen een van de grondbeginselen van het anders zo geprezen volkenrecht: het beginsel dat bij het ontstaan van nieuwe staten de oude interne grenzen de grenzen van de nieuwe staat vormen, traditioneel verwoord als “uti possidetis”. Hoe sterk de internationale gemeenschap vasthoudt aan bestaande grenzen hebben we ook in recente tijden gezien, onder meer bij het uiteenvallen van Joegoslavië (standpunt dat onderbouwd werd in het advies nr. 3 van de commissie-Badinter, 11 januari 1992, onder voorzitterschap van de vroegere Franse Minister van justitie Robert Badinter, zeker ook een voorstander van het territorialiteitsbeginsel).

De uiteindelijke erkenning van Kroatië binnen zijn “intern-joegoslavische” grenzen heeft franstalige academici bij ons gealarmeerd. Dat de franstalige academici van Québec het beginsel uti possidetis zeer sterk verdedigen (zie met name het rapport-Pellet) weerhoudt de Belgische franstalige academici er alvast niet van om eraan te gaan morrelen. Vanaf de jaren ’90 zijn ze dus argumenten gaan zoeken om dit beginsel niet te laten gelden bij een splitsing van België. In januari 1998 werd daartoe een congres georganiseerd aan de ULB te Brussel, waarvan de rapporten verschenen zijn in het boek Demembrements d'Etats et delimitations territoriales: l'uti possidetis en question(s), Actes du colloque de Bruxelles - 23 et 24 janvier 1998.

Op 18 maart 2005 organiseerde het FDF-studiecentrum Jacques Georgin (ja inderdaad genoemd naar de FDF-plakker die op 12 september na een schermutseling met vlaamse plakkers overleed aan een hartaanval die met die schermutseling weinig van doen had, maar die nog altijd als een vermoorde held wordt geprezen) een colloquium waar het de beurt was aan de professoren Hugues Dumont en Sébastien van Drooghenbroeck om de splitsing van BHV aan te grijpen als grond om de gewestgrens tussen Brussel en Vlaanderen aan te passen door middel van referenda. Hun tekst (“Le statut de Bruxelles dans l’hypothèse du confédéralisme”) werd in oktober 2007 in 3 talen gepubliceerd in Brussels Studies (27).

En einde 2007 werd aan de Universiteit van Luik een colloquium georganiseerd over “Fédéralisme et frontières internes: les enjeux de l'arrondissement de BHV (Bruxelles-Hal-Vilvorde/Brussel-Halle-Vilvoorde)” met bijdragen die eerstdaags verschijnen in het elektronisch tijdschrift Fédéralisme Régionalisme. De lezing van prof. Christian Behrendt, hoogleraar grondwettelijk recht in Luik en een duitstalge met dubbele nationaliteit, getiteld “BHV et le principe de l’uti possidetis”, bood de franstaligen weinig argumenten. Wanneer Behrendt door Dominique Berns wordt geïnterviewd in Le Soir van 30 april worden hem dan ook enkele suggestieve vragen gesteld; ik was er natuurlijk niet bij toen het interview werd opgenomen, maar ik kan me niet van de indruk ontdoen dat de journalist het gepubliceerde interview wat naar zijn hand heeft gezet. Hij is blijven doorvragen tot hij een geschikt antwoord kon vinden dat de duidelijke uitgangspunten, die Behrendt verdedigde, toch nog even kon scheeftrekken. Want Behrendt herinnert eraan dat noch het argument “enclave” (Brussel binnen Vlaams grondgebied), noch het argument minderheden noch de eis van een volksraadpleging veel indruk maken op de internationale gemeenschap als argumenten tegen het beginsel uti possidetis.

Drijfhout of bruggen voor expansie ?
Het belang van het beginsel heeft de franstaligen er nu toe aangezet om allerlei motieven te zoeken die moeten aantonen dat er helemaal geen eenduidige interne grenzen zijn in België, dat grote delen van Vlaanderen eigenlijk nog altijd gemengd gebied zouden zijn. Maingain en de anderen zijn onmiddellijk gesprongen op de uitlating van Behrendt dat de kieskring en het gerechtelijk arrondissement “bruggen” zijn over de taalgrens heen waarmee men het definitief karakter daarvan misschien toch in vraag zou kunnen stellen. Mij lijkt het eerder te gaan om stukken drijfhout uit het wrak van het schip van de belgische unitaire staat. De argumenten om te stellen dat de bestaande grondwettelijke taalgrenzen wel degelijk de interne grenzen zijn voor de toepassing van uti possidetis zijn overweldigend – men moet maar de eerste 5 artikelen van de Belgische grondwet lezen. Maar de franstalige reactie toont wel aan dat elke brug die nog opengelaten wordt of gebouwd wordt, door de overzijde misbruikt wordt als toegangsweg voor territoriale expansie. Bruggen bouwen is zeer nuttig, maar vraagt op de eerste plaats stevige oevers en op de tweede plaats dat de franstalige politici nu eens eindelijk zeer uitdrukkelijk afstand nemen van de eis naar territoriale expansie van de Franse gemeenschap. De weigering dat te doen verplicht de Vlamingen om zolang er geen onafhankelijk Vlaanderen is, geen erkenning te verlenen aan welke instellingen of regels ook die door franstaligen misbruikt kunnen worden om territoriale expansie te rechtvaardigen. Ook zo zijn de anderstaligen in Vlaanderen nog altijd stukken beter af dan in Wallonië of andere franstalige landen.
Deze stelling zal me wel weer een partijtje schelden over geborneerdheid en geslotenheid opleveren, maar met een buurman die voortdurend een stuk van je tuin probeert in te palmen zijn “afpaling en afsluiting” (om de termen van het Burgerlijk wetboek te gebruiken) nu eenmaal nodig.

Reageren

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.