Ontvang de nieuwsbrief op regelmatige basis
Het aantal zittenblijvers in het Belgisch Franstalig onderwijs blijft stijgen. Een sterke daling werd slechts eenmalig genoteerd in 1996-1997, toen de leraren staakten... De nieuwste statistieken leren dat het zittenblijven jaarlijks ook steeds meer kost, en nu minstens 334 miljoen euro bedraagt. Bijna de helft hiervan - ca. 160 miljoen euro of 6,4 miljard frank - zou bespaard kunnen worden als het aantal zittenblijvers daalt tot het Vlaamse niveau. Maar dat betekent minder leraren, die politiek benoemd worden. Verder blijven de 'taalbaden' marginaal.
In het artikel 'Geen vuilbakscholen meer?' schreven we op 1.09.08 over het Franstalig onderwijs in België:
"Franstalige economen hadden eind 2007 hun bezorgdheid uitgesproken over de uiterst slechte kwaliteit van het Franstalig onderwijs in België, dat ze inefficiënt en onrechtvaardig noemen, en mee verantwoordelijk achten voor de hoge graad van werkloosheid. Ze stippen aan dat er veertig jaar geleden geen verschil was tussen het Nederlandstalig en het Franstalig onderwijs op het vlak van zittenblijven. Vandaag zijn de Gemeenschappen hiervoor bevoegd. Waalse leerlingen doen er nu gemiddeld 1,2 jaar langer over dan Vlaamse om hun normaal 12 jaar durende lagere en secundaire school uit te doen, de Franstalige Brusselaars 1,5 jaar langer.
Volgens cijfers van de Federatie van ouderverenigingen van het Franstalig officieel onderwijs (Fapeo) bedraagt het aantal leerlingen dat minstens een jaar moet overdoen in de loop van het basis- en secundair onderwijs 49%, tegen 27% in het Nederlandstalig onderwijs. Een op vier Franstaligen dubbelt zelfs minstens twee keer. Veel Waalse en Franstalige Brusselse jongeren hebben zelfs geen diploma secundair onderwijs wanneer ze aan de slag gaan: een derde verlaat de school zonder diploma. Niet te verwonderen dus dat met respectievelijk 31% en 35% Wallonië en Brussel het rijtje in de Oeso-statistieken sluiten wat jeugdwerkloosheid betreft. (Bron van deze cijfers: artikels in Le Soir en Fapeo, niet verder geverifiëerd)."
Dat het niet beter wordt, kan men lezen in de derde uitgave van 'Les indicateurs de l'enseignement (2008)' die op 3 maart 2009 werd gepubliceerd. De cijfers gaan tot het schooljaar 2006-2007.
In 2006-2007 is ongeveer een op vijf leerlingen 'te laat' in het Franstalig lager onderwijs, en dit groeit aan tot ongeveer een op twee in het secundair. In het vierde jaar van de lagere school zijn 49% 'op tijd', hebben 17% een achterstand van een jaar, en 4% van twee jaar of meer. In het vierde jaar van het secundair onderwijs zijn nog slechts 47% van de leerlingen 'op tijd', en hebben 31% een achterstand van een jaar, 22% van twee of meer jaren. 'Te laat' betekent niet noodzakelijk dat men is blijven zitten: de statistiek van 'te laat' gaat ervan uit dat een kind in zijn zesde jaar naar de eerste klas gaat. Een kind dat een jaar langer in de kleuterklas blijft, en pas op zijn zevende jaar naar de eerste klas gaat, wordt in deze statistiek als 'te laat' genoteerd, ook al dubbelt het nooit. De stijging van een op vijf 'te laat' in het lager naar een op twee 'te laat' in het secundair onderwijs heeft natuurlijk wel met het stijgend aantal zittenblijvers te maken in de loop van de schooltijd. In 2006-2007 moest 1 op tien zijn eerste jaar secundair overdoen, in het derde jaar worden dat er 19,7 % die dit derde jaar moeten overdoen, en het vijfde jaar moeten 17,0 % opnieuw doen. Dat het aantal zittenblijvers in het zesde jaar lager ligt dan de in de schooljaren daarvoor (7,2 % in 2006-2007) zou ermee samenhangen dat er veel al voortijdig zijn afgehaakt (meer dan 18 jaar geworden b.v. en niet meer onderworpen aan de leerplicht).
In de grafiek van het percentage zittenblijvers over de periode 92-93 tot 06-07 (blz. 35) valt een zeer sterke eenmalige daling op van het aantal zittenblijvers in het secundair onderwijs in het schooljaar 1996-1997. Volgens de opstellers hangt dit zeer waarschijnlijk samen met de staking van het onderwijzend personeel in het eerste semester van 1996. De beste oplossing om het overdreven aantal zittenblijvers in het Franstalig onderwijs te zien dalen is dus dat de leraren geen les geven.. (Blz. 34: "Notons enfin la chute significative des taux de redoublement en 1996-1997, qui résulte vraisemblablement des grèves qui se sont déroulées durant le premier semestre 1996.")
Meerkost van 13,7 miljard frank
De meerkost voor al dat zittenblijven wordt geschat op minstens 344 miljoen euro voor het gewoon leerplichtonderwijs, of zes procent van het totale onderwijsbudget hiervan. Die kosten worden elk jaar hoger, gezien het aantal zittenblijvers blijft stijgen. Bijna de helft hiervan - ca. 160 miljoen euro of 6,4 miljard frank - zou bespaard kunnen worden als het aantal zittenblijvers daalt tot het Vlaamse niveau.
(Blz. 12: "Dans l’enseignement obligatoire ordinaire, ils peuvent être approchés en imputant le coût moyen d’une année supplémentaire à chaque redoublant. Comme le montre la figure 3.4, les échecs scolaires auraient généré un surcoût s’élevant à environ 45,5 millions d’euros dans le primaire et à 298,1 millions d’euros dans le secondaire en 2006-2007, soit près de 6% du total du budget global de l’enseignement. Ces surcoûts sont probablement sous-estimés au niveau du secondaire par le fait que les taux de redoublement les plus élevés s’observent dans l’enseignement qualifiant (en 3e, 4e et 5e années), plus cher. Le fait que les dépenses liées au redoublement n’ont cessé de croître depuis 10 ans est en partie expliqué par l’évolution du taux de redoublement lui-même qui est passé, entre 1997-1998 et 2006-2007, de 3,7 % à 4,3 % dans le primaire et de 10,4 % à 13,6 % dans le secondaire.)
Taalbaden marginaal
Het Franstalig onderwijs zegt moeite te doen om de taalkennis, in het bijzonder van het Nederlands, te verbeteren. Daartoe kunnen scholen 'taalbaden' ('immersion linguistique') inrichten, waarbij een deel van de lessen in een aantal schooljaren niet in het Frans, maar in het Nederland, Duits of Engels worden gegeven. In 2006-2007 ging het om 97 lagere en 55 secundaire scholen. Van de 97 lagere scholen organiseren er 77 een Nederlands, 16 een Engels en 4 een Duits taalbad. Van de 55 secundaire scholen organiseren er 40 een Nederlands, 11 een Engels en 4 een Duits taalbad. Het totaal aantal leerlingen in beide niveau's dat een of ander taalbad krijgt is erg marginaal, want het gaat om slechts 1,8% van de totale schoolbevolking. Daarbij kregen in het lager onderwijs 78% van de leerlingen in die deelnemende scholen een Nederlands taalbad (6.240 leerlingen), en gaat het nog slechts om 1.834 leerlingen in het secundair onderwijs (53 % van de leerlingen). Bijna evenveel leerlingen in het secundair kregen een Engels taalbad (1.208) en 400 een Duits taalbad, voornamelijk dichtbij de Oostkantons en in de provincie Luxemburg). Dat zal dus niet echt voelbaar meer Franstaligen opleveren die Nederlands kennen. (Blz. 28-29)
Onderwijs in de greep van de politieke partijen
La Libre Belgique maakte op 12 februari '09 bekend dat er per ongeluk een document over de toewijzing van subsidies voor gebouwen voor kinderopvang terecht gekomen was als bijlage bij een parlementair document (Stuk 911/3) van het Waals parlement, dat over heel iets anders ging. Daaruit bleek dat op de lijst van subsidieaanvragen voor nieuw te bouwen chrèches een vermelding stond of de instelling 'socialistisch' was (met blauw - ! - aangestreept) of een CdH-stempel had (met oranje aangestreept). Van de 15 ingediende 'CdH-dossiers' werden er tenslotte slechts 4 goedgekeurd, bij de 'PS-dossiers' 2 van de 4. De greep van de partijen begint dus al vanaf kort na de geboorte. En leraren in het Gemeenschapsonderwijs worden er aangeduid door het kabinet van de minister. (Alain Destexhe, MR-senator, in De Standaard van woensdag 21.05.08: "Op het kabinet van de Franstalige minister van Onderwijs is er een cel benoemingen. Daar houden twaalf mensen zich bezig met de vraag welke leraar in welke school moet worden benoemd."). Ook dat bevordert natuurlijk geen kwalitatief onderwijs.