Ontvang de nieuwsbrief op regelmatige basis
Hierna de tekst van het oorspronkelijke kritische interview voorzien voor Klasse nr. 179, die op het laatste ogenblik werd vervangen door een paginagrote foto met pinguins, met vermelding van kernpunten van het beleid van Frank Vandenbroucke. Klasse besliste op het laatste moment om het interview niet te publiceren omdat het "als overheidsmedium een voorzichtige, neutrale positie moet innemen".
Meer studenten in het HO, meer diploma's. Hoe bekijkt u dat?
Impliciet suggereert men dat we qua kwaliteit een probleem hebben en dat we moeten hervormen. Nochtans hebben we al jaren, zeggen we zelf, het beste onderwijs ter wereld. Ik vraag me dus af of er op dat punt een probleem is. Pas op, ik heb niets tegen het idee om meer jongeren aan te moedigen hoger onderwijs te volgen, maar ik ben wel kritisch. Is er voldoende nagedacht over de voorwaarden en neveneffecten van zo'n beleid? Ik vraag me ook af of je werkelijk zoveel meer studenten naar het hoger onderwijs moet loodsen. Mij lijkt dat bovendien normatief. Er zijn grenzen: als je én de lat hoog legt én tegelijkertijd optimale voorwaarden creeert en kansen biedt aan studenten - iets waar ik a priori van uitga als je dit beroep uitoefent - dan zal je iets anders moeten verzinnen opdat méér mensen zouden slagen. Het beleid kan en moet de voorwaarden creeeren, maar in de zesjaarlijkse visitatierapporteren (hét kwaliteitscontrole-instrument, volgens de minister) stel ik vast dat hét pijnpunt bij uitstek vaak de personeelsondersteuning is. Als dat pijnpunt zes jaar later in even sterke bewoordingen in een nieuwe onderwijsvisitatie terugkeert, dan betekent dat in mijn ogen dat het beleid niet de kwalitatieve en structurele voorwaarden creeert om haar doelstellingen te kunnen realiseren. Maar zelfs met de beste voorbereiding zal de ene atleet de marathon nog altijd sneller lopen dan de andere en zullen er ook zijn die de koers niet kunnen uitlopen. Als professor of leraar moet je wel de best mogelijke voorwaarden creëren om ze de kans te geven.
Eigenlijk draait het om gelijke kansen. Nog te weinig jongeren uit sociaal-economisch zwakke middens wagen de stap naar hogeschool of universiteit. Ook allochtone studenten en studenten met een functiebeperking zien we nog te weinig.
Voor mij zijn gelijke kansen een evidentie, punt uit. Als je een honderd meter organiseert, geef je elke deelnemer de kans om aan dezelfde startlijn te staan, je gaat niet de een tien meter achter de ander laten starten. In 2000 ben ik teruggekeerd van de Verenigde Staten met de inspiratie en het besluit mijn eigen onderwijs (bedrijfscommunicatie) drastisch te veranderen. Studenten werken nu in teams een communicatieproject uit, bijvoorbeeld een politieke campagne. Ze werken er een jaar aan, krijgen voortdurend individuele begeleiding en feedback, presenteren als examen hun project voor een professionele jury in een zaal waar honderden mensen toekijken. Dit zelfstandig leren was en is nog steeds heel vernieuwend, en veel studenten hebben me verwenst als ze weer eens slechte tussentijdse evaluaties, kregen in de loop van het jaar, maar op het einde zijn er wel die over drie meter springen, daar waar we de lat op twee meter leggen.
Het eerste jaar hoger onderwijs is noodgedwongen een zwaar selectiejaar, zegt men.
Als je studenten maar twee kansen geeft om zich te bewijzen, zal dat wel kloppen. Ik stel echter vast dat veel van mijn studenten een exponentiële leercurve doormaken. Ze moeten kunnen presenteren, analyseren, argumenteren, produceren, verkopen, creatief denken enz. Sommigen halen vijf of zes keer een nul, maar door de feedback en begeleiding die ze krijgen, halen ze op het eind van het jaar wel de meet. Mijn studenten krijgen twintig kansen, geen twee. De focus ligt dus veel meer op het proces dan op het product. Wij creeeren de voorwaarden, maar de studenten zijn wel geheel zelf verantwoordelijk om de vele kansen die ze krijgen te grijpen of niet. Heel wat studenten vervloeken me tijdens het jaar maar komen op het eind wel zeggen: 'In deze methode zijn we onszelf vaak tegengekomen.'
Meer studenten aantrekken en doen slagen doet velen vrezen dat het niveau zal dalen. Er wordt daarom gedacht aan een Europese standaard van examineren op basis van voorafbepaalde profielen: wat een bachelor/master moet kennen/kunnen e.d. Vindt u dat een goed idee?
Ik geloof niet in reguleren en formaliseren als middel om kwaliteit te garanderen. Misschien gaat dit voor alfawetenschappen wel op, maar voor bijvoorbeeld bedrijfscommunicatie werkt het niet.
Zijn jongeren volgens u klaar voor het hoger onderwijs als ze uit het secundair onderwijs komen?
De meeste studenten komen bedeesd, onderdanig en betutteld binnen. Ze kunnen niet zelfstandig leren, niet samenwerken, niet plannen, geen initiatief nemen, niet probleemoplossend denken. Dat zijn bijzonder veel vaardigheden waar ons onderwijssysteem veel te weinig mee doet. Het accent ligt nog veel te veel op pure kennisoverdracht. Als ze die vaardigheden in het lager onderwijs ooit hebben geleerd, dan worden ze in de eerste jaren van de universiteit blijkbaar afgeleerd omdat het vaak grootschalige karakter van het onderwijs aan universiteiten - zeker in de eerste jaren - de studenten noodzakelijkerwijze dwingt in een passieve rol van kennisverwerkers en -reproduceerders. Ik stel vast dat ik studenten 'ontdek', omdat ik ze uit hun klassieke rol haal.
Wat ik ook vaststel, is dat het ons steeds meer moeite kost om studenten te 'helpen slagen'. Ik denk dat er een attitudeprobleem is. De studenten hebben een mindere leescultuur dan pakweg tien jaar geleden en ze voelen zich minder geresponsabiliseerd om zich in te zetten voor hun studie.
De juridisering neemt ook toe. Sommige studenten tonen me hun middelvinger als ik ze met 3/20 en een kritische beoordeling de deur uitstuur. Of ze hakken collega's op een oppervlakkige en armzalige manier in spaanders in hun anonieme docentenevaluaties. Of ze nemen een advocaat onder de arm als ze niet geslaagd zijn. Nu wil ik dit allemaal niet veralgemenen, maar sommige collega-professoren, ook van andere universiteiten, zeggen me nu al dat ze hun studenten zoveel mogelijk laten slagen: ze krijgen dan een goede evaluatie en de advocaten blijven weg. Nog een vaststelling: ik zie studenten in het creditsysteem sneller kiezen voor de 'easy way out'. Ze kiezen voor de gemakkelijke vakken, en minder voor de vakken die ze echt interessant vinden.Voor mij zijn dat tekenen dat de echte onderwijscultuur, en daarmee de waarde van het diploma, aan het verzwakken is. Leergierige, ambitieuze en prestatiegerichte studenten zijn volgens mij het slachtoffer van deze trend.
Nochtans kan het leerkrediet de studenten toch responsabiliseren?
Het is opnieuw een formalisme, al zie ik wel in dat het de studiecultuur van jongeren kan aanscherpen. Maar daar red je het niet alleen mee. De meeste studenten zijn echt niet dom, maar je moet ze wel responsabiliseren. En dus moeten ze gecoacht en begeleid worden. Dat laatste is de evidentie zelf, maar het gebeurt lang niet overal. Als je weet dat je studie véél geld kost en je wordt daarnaast geresponsabiliseerd om je in te zetten, dan krijg je ook een sterkere leercultuur. In de Verenigde Staten heb ik zowel professoren als studenten veel méér zien doen dan eigenlijk moest. Om die redenen.
In een sterke onderwijscultuur zijn de rollen duidelijk omlijnd: je hebt mensen die evalueren en geevalueerd worden. Een van de risico's van outputfinanciering is dat studenten die niet slagen dat op hun kracht nemen, hun docent negatief beoordelen of naar een advocaat stappen. Als gevolg daarvan krijgt de docent binnenshuis zelf kritiek: slecht voor het imago, minder financiering met al die gebuisden enz en vooral: een ongezonde onderwijscultuur. Zo ontstaat een op zijn minst aberrante logica, denk maar aan het verhaal van de professoren die steeds minder eisen stellen om zich veilig te stellen. De rol van de student is focussen op zijn studie en daarvoor werken. De rol van de docent is zowel goed onderwijs brengen als coachen en begeleiden. Ik weet dat ik hiermee voor een haast ambachtelijke, middeleeuwse onderwijscultuur pleit, maar ik geloof wel in de resultaten: dit is evenwel niet haalbaar in de context van massificatie van het onderwijs en binnen de context van beleid waarin er voortdurend gerationaliseerd wordt. Met nog die bedenking: problematische studenten, studenten die echt niet willen of kunnen, zullen altijd bestaan, welk systeem je ook hanteert. Alleen als dat een structureel gegeven wordt, moet je je systeem in vraag stellen en veranderen.
Eigenlijk komt het hierop neer: uiteraard wil een leraar dat zijn leerlingen het goed doen en een prof wil graag al zijn studenten zien slagen. Met de outputfinanciering worden die uitdaging en de druk aanzienlijk groter. We moeten dus op zoek gaan naar betere onderwijsmethodes om dat waar te maken.
Dat is inderdaad de kern van de zaak. Ik haal de meeste beroepsvoldoening uit het feit dat je met een aangepast systeem van monitoring en procesbegeleiding, gecombineerd met motivatie en responsabilisering, studenten op zeer hoog niveau kunt brengen. Met formalismen, advocaten en een tanende onderwijscultuur doe je niet aan kwaliteitszorg. Laten we praten over leerinhouden, technieken, vaardigheden, responsabiliseringŠ Maar uitgerekend hierover lees ik weinig of niets, wel zie ik steeds meer regeltjes, reglementen, gebods- en verbodsbepalingen. Waar wordt dat debat gevoerd? Wie is daarmee bezig? Zelf experimenteer ik al jaren met innoverende onderwijsmethodes. Toen ik afstapte van het ex cathedra onderwijs deed ik dat bewust en met goede resultaten. Maar misschien kan het nog beter. Er moet ook nagedacht worden over het onderwijsmodel: is dat lineair? Willen we een onderwijs waarin we vanaf de kleuterklas kinderen steeds slimmer en vaardiger maken? Ik vraag me af of het werkt. In de ideale samenleving lukt dat allicht wel, maar in onze samenleving zijn er zoveel stoorzenders: maatschappelijke stigma's, sociale mechanismen, persoonlijke indicatoren. Niet elke kind, elke leerling heeft zomaar de kans een lineair onderwijsparcours af te leggen. Ik heb studenten van allerlei achtergronden, leeftijden en etnische achtergrond in een leerbiotoop zien terecht komen waarin ze plots zijn gaan openbloeien. In een lineair onderwijssysteem zouden ze kopje onder zijn gegaan.
(Deze tekst betreft een opinie ten persoonlijke titel.)