Ontvang de nieuwsbrief op regelmatige basis
De verschrikkelijke “luchtvaartcrisis” die Europa teisterde en die de jetset even deed proeven van het daklozenbestaan, nadat een IJslandse vulkaan het gewaagd had om zijn ingewanden open te zetten, noopt tot enkele relativerende bemerkingen. De grappen (vooral van de thuisblijvers) waren niet van de lucht: eerst de rotbanken, nu de vuile rook,- uit IJsland komt alleen maar rommel. In het land van oorsprong zelf geen spoor van paniek: de nakomelingen van de Vikingers borstelden vrolijk fluitend de as van hun daken en gingen over tot de orde van de dag. Naar het schijnt levert het zelfs goede mest op.
Dit om maar te zeggen dat ik als thuisblijver, filosoof, liefhebber van sterke verhalen en Wagnerfanaat, begon te houden van die aswolk. De damp-en-lava-brakende vulkaan met de onuitspreekbare naam Eyjafjallajökull heeft zo zijn eigen verhaal, ook al interesseert dat geen kat: hier is zowat duizend jaar geleden de Edda ontstaan, een complex van mythen en legendes, opgetekend in de oudste handschriften van het Germaanse taalgebied. Het behoort overigens tot de ironie van de geschiedenis dat het donkere IJsland en het zonnige Griekenland, de twee uitersten die onze Europese cultuur bepaald hebben, nu als de paria’s van Europa gelden. Wat ze aan traditie hebben opgeleverd zal ons worst wezen,- gore achterbuurten zijn het, die ons handen vol geld kosten.
Natuurlijk moest Europa iets doen: namelijk zorgen dat gestrande EU-burgers thuis geraakten, met extra ingelegde treinen bijvoorbeeld. Maar dat lukte niet: In Keulen stond de trein naar Brussel urenlang stil omdat er zich teveel reizigers (met een betaald ticket!) in de wagons bevonden. Chaos, wenende kinderen, Congolese toestanden. Elk land heeft dan maar zelf de repatriëring geregeld, waarbij de prijs voor de meest draconische maatregel ongetwijfeld gaat naar het Verenigd Koninkrijk dat een complete Armada uitstuurde om,- uiteraard,- alleen het eigen volk naar huis te brengen. Dit is Europa op zijn slechtst: een duizelingwekkende regelneverij en bedilzucht, maar geen daadkracht in noodsituaties; groot in woorden en holle gestes, maar geen solidaire, gecoördineerde inspanning kunnen opbrengen als het erop aankomt. Dat belooft, tegen dat er zich eens een échte ramp voordoet…
Enfin, dankzij die vulkaan kom je nog eens iets te weten: het zijn de vliegtuigen die het eten op ons bord brengen. Het verhaal van de Westvlaamse varkens, die in miserabele omstandigheden naar Italië versjeesd worden om als Parmahammen terug te keren, kende u wellicht al langer. Asperges uit Thailand dus. En ik die dacht –neen, zeker weet – dat de asperges uit ons eigen Waasland, de zandige streek rond Wachtebeke aan de Nederlandse grens, hun gelijke niet kennen qua smaak. Als die zogenaamde luchtvaartcrisis één positief effect kan hebben, afgezien van de tonnen CO2 die de lucht niét ingaan, dan is het wel het besef dat we strontverwend zijn, dat de kerosine nog veel te goedkoop is, en dat het citroengras uit Siberië (!) evengoed in onze achtertuin groeit. Alwaar het overigens goed toeven is, liefst in aangenaam gezelschap.
Zo kom ik tot de essentie van de IJslandse kwestie: een ledig luchtruim is niet alleen goed voor het milieu, het reinigt ook de geesten. Misschien kan dit ons weer met beide voeten op de grond brengen en het ideaalbeeld van de reizende kosmopoliet wat relativeren: fysieke mobiliteit wordt overgewaardeerd. De hyperkinesie van de homo mobilis, altijd onderweg en als het even kan in de lucht, heeft een soort waanbeeld gekweekt dat de thuisblijvers marginale sukkelaars zijn, mensen die hun wereld niet kennen en van het leven niet kunnen genieten. Wie niet beweegt, niet onderweg is, wordt als een dood voorwerp beschouwd. De reizende politicus, kunstenaar, wetenschapper, zakenman is de referentie, als hedendaagse uitgave van de succesrijke jager uit de oertijd. Europese uitwisselingsprogramma’s voor studenten, genre Erasmus, hebben misschien wel goede pedagogische bedoelingen, maar creëren ook fantasmes rond exotische beleving en ingebeelde meerwaarde van het elders-zijn. Het “buitenland” is het paradijs waar we onszelf realiseren, de transithal van de luchthaven de plek waar zich het echte leven ontrolt (de filosoof Michel Foucault sprak van een “heterotopie”). Langzaam maar zeker verdunnen we tot het intermediaire bestaan van de moderne nomade, die vooral voor zichzelf op de vlucht is, schrik heeft van zijn eigen schaduw. De vacantiehysterie à la Jetair heeft die reiskoorts tenslotte gedemocratiseerd tot een massaneurose zonder weerga,- die een nog dieper liggend tekort moet camoufleren, namelijk het feit dat we ons over niks meer kunnen verheugen en altijd méér willen, iets anders, iets beters. Een ongedurigheid waar “de markt” uiteraard gretig op inspeelt.
Zo komt alles toch nog terug op zijn plaats, maar niet zonder turbulenties en aardschokken. Laten we dit soort overgemediatiseerde godendeemsteringen dus maar aangrijpen als opportuniteiten, als momenten van bezinning. Meer crisissen hebben we nodig, meer vallende vliegtuigen, meer geschrapte uurroosters, meer rottende mango’s.
- Op kleine schaal duurzame energie winnen, los van grote, kwetsbare netwerken en dictatoriale monopolies.
- De seizoengroenten herontdekken, ze misschien eens zelf proberen te kweken. De buurtwinkel (met of zonder mango’s) bezoeken en er een praatje slaan.
- De wereld exploreren vanuit een goed boek, gaan eten bij vrienden (asperges op zijn Vlaams), ons meer verwonderen en minder druk maken, je partner of kind eens goed vastpakken, zomaar.
Dank voor het stof, Eyjafjallajökull, dank. Hinab, Erda, hinab…