Waarom de Belgische politieke crisis het EU voorzitterschap niet zal verpesten

Van 1 juli tot en met 31 december wordt België voorzitter van de Europese Unie. Zoals alle voorzitterschappen heeft ook België een lijstje met prioriteiten opgesteld. Vijf thema’s worden vooruitgeschoven:

(1) het sociaal-economische beleid: oorspronkelijk alleen de implementatie van de EU2020-strategie, maar intussen ook en vooral het beheersen van de eurocrisis en de (na)zorg van de financieel-economische crisis;

(2) de sociale agenda, met onder meer initiatieven in het kader van het Europees Jaar van de strijd tegen de armoede en de sociale uitsluiting;

(3) klimaat-, leefmilieu- en energiebeleid, met vooraan het vertegenwoordigen van de EU op COP 16 in Cancun;

(4) het Stockholm programma (justitie, asiel en migratie en binnenlandse zaken); en

(5) externe betrekkingen, met inbegrip van de start van de Europese diplomatieke dienst en enkele uitbreidingsdossiers (Kroatië, Turkije en Macedonië).

Dit EU-voorzitterschap valt op het moment dat België een ernstige politieke crisis doormaakt. De federale regering kwam eind april ten val en half juni werden er verkiezingen gehouden voor het federale parlement. Hierdoor start het voorzitterschap onder een federale regering van lopende zaken. Of het ook zo eindigt zal afhangen van de onderhandelingen voor een nieuwe regering. Als die zolang duren als na de vorige federale verkiezingen (bijna 9 maanden), dan zitten we al diep in het volgende (Hongaarse) EU voorzitterschap. Zowel Belgische als Europese waarnemers en commentatoren vragen zich af of deze situatie niet nefast is voor het goede verloop van het voorzitterschap. Meer zelfs, meerdere politieke partijen wezen er het afgelopen jaar op dat de federale regering vooral niet mocht vallen, anders zou het voorzitterschap in het gedrang komen. Maar is er wel reden tot ongerustheid? Wijzelf zijn alvast van mening dat het voorzitterschap weinig of geen hinder zal ondervinden van de interne strubbelingen en dat de vooropgestelde prioriteiten netjes afgewerkt zullen worden. En we hebben daar een aantal argumenten voor.
1.      Het roterende voorzitterschap is sinds de invoering van het Verdrag van Lissabon onthoofd. Met de invoering van een permanente (niet-roterende) Voorzitter van de Europese Raad (Van Rompuy) wordt het rotatieprincipe afgeschaft op het niveau van de staatshoofden en regeringsleiders. De eerste minister van het dienstdoende roterende Voorzitterschap zit deze vergaderingen niet langer voor. Hetzelfde geldt voor de minister van buitenlandse zaken. De Raad Buitenlandse Zaken wordt immers voortaan voorgezeten door de Hoge Vertegenwoordiger voor Buitenlandse Zaken en Veiligheidsbeleid (Ashton). Met andere woorden, de premier en de minister van buitenlandse zaken spelen een aanzienlijk kleinere rol dan voor de verdragswijziging. Zij kunnen het zich meer dan vroeger veroorloven om tijdens het voorzitterschap met de interne keuken van België bezig te zijn.
2.      Een roterend voorzitter mag dan wel een prioriteitenlijstje hebben, hij moet toch vooral zes maanden op de winkel passen. De agenda wordt immers voor het overgrote deel bepaald door wat er in de pijplijn zit. Bovendien kunnen onverwachte – vaak internationale – gebeurtenissen de kalender overhoop halen. Zo kreeg België tijdens zijn vorige voorzitterschap in 2001 te maken met de aanslagen in de VS. Maar anno 2010 geldt dat vooral andere spelers eventuele externe dreigingen zullen opvangen: bij veiligheidsdreigingen staat Ashton klaar en Van Rompuy coördineert de aanpak van de financieel-economische crisis. Ook het Spaanse voorzitterschap kwam bij de Griekse crisis niet aan te pas.
3.      De domeinen waarin de roterende voorzitter wel nog een rol speelt inzake agendasetting en bemiddeling (zoals milieu, landbouw , interne markt), zijn al ruim twee jaar het voorwerp van intensieve voorbereidingen. Ambtenaren, diplomaten en politici zijn klaargestoomd om op de voorzittersstoel plaats te nemen; de nodige contacten zijn gelegd; de draaiboeken liggen klaar. Voor de uitvoering kan bijna op automatische piloot gevlogen worden. De federale regering hoeft dus niet noodzakelijk permanent in de cockpit te zitten.
4.      België kan steunen op een zeer rijke ervaring. Het was eerder al twaalf keer voorzitter, vaak in moeilijke omstandigheden zoals in 2001. Telkens werd België achteraf geprezen voor het creatieve en gedegen werk. Vastgelopen dossiers werden vlotgetrokken, compromissen werden gesmeed en crisissituaties beheerd. Traditioneel dient het kleine België eerder het hogere Europese doel dan dat het staalhard de eigen belangen verdedigt. De kans is groot dat dit nog meer zal gebeuren onder een regering van lopende zaken. De eigen belangen (voor zover die voor België niet samenvallen met de Europese) kunnen immers maar optimaal verdedigd worden als ze duidelijk uitgekristalliseerd zijn. Daar is tijd en aandacht voor nodig maar wellicht hebben de Belgische politici de komende maanden andere katten te geselen.
5.      Een voorzitterschap is in de eerste plaats een zaak van ambtenaren en diplomaten, en veel minder van politici. Uiteraard staan de ministers in de schijnwerpers van de media, maar het echte werk vindt toch vooral plaats in de luwte. Het zijn de experts in de werkgroepen van de Raad en de diplomaten in het COREPER die de agenda uitvoeren. Misschien kunnen ze net meer vooruitgang boeken als de ministers niet op hun vingers zitten te kijken.
6.      De constitutionele rol van Gemeenschappen en Gewesten inzake externe (en dus ook Europese) betrekkingen en de substantiële bevoegdheden van de deelstaten maken dat slechts een minderheid van de Europese vergaderingen zal worden voorgezeten door federale ambtenaren en ministers. Het gros van het voorzitterswerk is voor rekening van de deelstaten en die werken autonoom verder. Meer zelfs, een aantal onder hen zal met nog meer ijver dan gewoonlijk willen bewijzen dat zij het Europese werk even goed (of beter?) aankunnen dan de collega’s van het federale niveau.
7.      Welke partijen ook de coalitie vormen op het federale niveau, de Europese marsrichting van België zal nagenoeg ongewijzigd blijven. Alle studies wijzen uit dat de pro-Europese consensus onder de Belgische politieke elites nog steeds intact is. Dat geldt voor christendemocraten, sociaaldemocraten, liberalen en groenen aan beide zijden van de taalgrens, maar ook voor de regionalisten van de N-VA. Getuige hiervan de inspanningen om de Europese roeping van de partij te duiden aan de internationale pers en de prominente Europese vlag (en niet de Vlaamse Leeuw) als achtergrond op het overwinningsfeest.
Kortom, er zijn weinig redenen om zich zorgen te maken over de impact van de interne politieke crisis op het EU-voorzitterschap. Daarmee is overigens niet gezegd dat het imago van België geen (verdere) schade zal oplopen als tijdens het EU-voorzitterschap er niet snel een regering op de been wordt gebracht. En dat de federale politiek een mooie kans laat liggen om tijdens het EU-voorzitterschap Europa dichter bij de burger te brengen. Over dat laatste maken we ons trouwens weinig illusies. Belgische politici (en media) hebben helaas al te veel de neiging om de eigen navel te bestuderen en die ook nog bijzonder belangrijk te vinden. Dezelfde politici (en media) die Europa lange tijd misbruikten als argument tegen een regeringscrisis, hebben tijdens de voorbije campagne Europa toch maar mooi doodgezwegen. Zo belangrijk is Europa dan blijkbaar toch niet. Belgische politieke crisis of niet, de ontnuchterende realiteit is dat Europa en de wereld gewoon verder draaien. Alle reden dus om aan te nemen dat het Belgisch voorzitterschap een voorspoedig verloop zal kennen.

 Steven Van Hecke is samen met Peter Bursens verbonden aan de onderzoeksgroep Europese en Internationale Politiek van de Universiteit Antwerpen en ze coördineren een netwerk van academici dat zich toelegt op de monitoring van het Belgisch EU-Voorzitterschap.

(Verscheen als opiniestuk in De Standaard, woensdag 23 juni '10)

Reageren

De inhoud van dit veld is privé en zal niet openbaar worden gemaakt.