Ontvang de nieuwsbrief op regelmatige basis
Bedankt voor het weerwerk. Een discussie over de statistieken ga ik niet voeren.
Mijn hoofdbedoeling is een andere stem te laten horen tegen het al te gemakkelijk gebruikte 'Vlaanderen is volgebouwd', terwijl dat dus duidelijk niet waar is. Of er voldoende of te weinig 'open ruimte' is, teveel 'versnippering', is een ander thema dan zogenaamd 'volgebouwd' of 'versteend'. Hier komen we in ideologische beoordelingen terecht. U schrijft dat lintbebouwing meer schade toebrengt aan het open karakter van de ruimte, want "Dezelfde bebouwing geconcentreerd in één woonwijk bij een woonkern, brengt veel minder schade toe aan het open karakter van de ruimte." Kan de open ruimte 'schade' oplopen? Die 'schade' zit toch alleen in ons hoofd. En wat is er tegen 'versnippering'? Waarom 'lopen we achterop' als we niet compact gaan wonen om de 'open ruimte' te vrijwaren? Dat is er ons door de groene linkse jongens en meisjes ingeprent, vanuit hun links-stedelijke politieke ideologie.
Het dateert al van in de Middeleeuwen dat er in Vlaanderen diffuse bebouwing ('versnippering', lintbebouwing) bestaat, in tegenstelling tot bijvoorbeeld (Noord)-Nederland. ("In Nederland is er omwille van de geografische situatie - 24 procent van Nederland ligt onder de zeespiegel - altijd een grote behoefte geweest aan een sterke planning.. In België zijn dergelijke natuurlijke beperkingen of een planningsinstrument nooit aanwezig geweest. De topografie en de grondkwaliteit laten toe dat er .. vrijwel overal gebouwd kan worden". Uit het boek 'After-sprawl', van Xaveer De Geyter Architecten, 2002.). Dat de diversiteit er de laatste tientallen jaren op achteruitgaat, ligt dus niet aan de diffuse bebouwing die al vele eeuwen oud is, maar ondermeer aan (snel)wegen, spoorwegen, monocultuur in een landbouw met veel pesticides en herbicides.
Op de kaarten van Ferraris uit 1777 zien we dat de gronden van de 'Oostenrijkse Nederlanden' voor het grootste deel al in cultuur waren gebracht. Het land was toen reeds in relatief kleine kavels ingedeeld en dicht bezaaid met hofsteden en gehuchtjes, stadjes en steden.
Pas na WO II kwamen de collectivistisch geïnspireerde planologen met hun visie van de opdeling van het land in gebieden waarin slechts plaats was voor één functie: hier landbouw, daar industrie, alle mensen op een hoopje in grote blokkendozen in de stad (denk aan Le Corbusier en zijn eveneens communistische lokale volgeling architect Renaat Braem, die voor zichzelf echter wel een woning in halfopen bebouwing liet bouwen, die zondigde tegen meer dan tien bouwregels van Deurne, die hij zelf opgesteld had..). Ze verklaarden met de Gewestplannen de oorlog aan de diffuse stad Vlaanderen. Vanuit die ideologie, bedoeld om alle mensen in torens in compacte steden te stoppen, komt dan de verkettering van de tegenstanders, en vonden zij uit dat men 'schade' aanricht aan de open ruimte door te bouwen, dat 'versnippering' uit den boze is. Bob Van Reeth zegde het op zijn manier: "Het platteland is voor koeien, niet voor mensen. Daar moet zo weinig mogelijk gebouwd worden." (Milieukrant Antwerpen, december 2002). Die visie wordt niet door iedereen gedeeld: "Het Nederlandse model dat aan de basis lag van het RSV is volkomen achterhaald wat de Belgische werkelijkheid betreft. De uiteenlopende historische ontwikkelingen van beide landen maken het onmogelijk het Nederlandse model zomaar op de Belgische situatie toe te passen... In veel delen van Vlaanderen heeft de bebouwing zich zodanig verspreid dat een terugkeer naar de tegenstelling tussen stad en platteland niet meer reëel is, omdat de strikte scheiding tussen stad en platteland vervangen is door een gelijktijdige aanwezigheid van beide... Het concept 'Vlaanderen, open en stedelijk' komt te laat, na de feiten, tenzij tabulara rasa tot de mogelijkheden gaat behoren. Het teruggaan naar de twee tegengestelde basiscategorieën betekent voor grote delen van Vlaanderen in concreto immers het verwijderen van een groot gedeelte van het bestaande patrimonium in de voormalige open ruimte en het heropbouwen ervan in de voormalige stads- en dorpskernen". ('After-sprawl', boek van Xaveer De Geyter Architecten, 2002).
U bent te vriendelijk voor de groene jongens en meisjes als u stelt dat hun pleidooi doorgaans niet is dat er meer open ruimte moet komen, maar dat degene die er nog is moet behouden worden. Het is wel al een tijd geleden, maar de groenen waren wel degelijk voor afbraak van alle zonevreemde gebouwen, het verwijderen dus van een groot gedeelte van het bestaande patrimonium, zonder enige vergoeding, door het verbieden van onderhoudswerkzaamheden, gebonden aan eeuwigdurende bouwovertredingen met zware straffen. Toen ik in 2001 aan toenmalig Vlaams Agalev parlementslid Johan Malcorps, die in Berchem-Antwerpen woonde, vroeg waarom Agalev een ‘uitdoofbeleid’ verdedigde van zonevreemde woningen, was het eenvoudig antwoord: “Omdat ze mijn zicht hinderen als ik op zondag wandel op de buiten.” Vandaag zijn ze niet meer zo drastisch, maar ze willen toch nog steeds meer open ruimte. In het standpunt van Groen over milieu en natuur leest men vandaag: "We willen een blijvende versterking van de natuur: meer groene ruimte, meer bos en meer groen voor recreatie "