Ontvang de nieuwsbrief op regelmatige basis
De eminente rechtsgeleerde Walter van Gerven schreef zijn bedenkingen neer over de staatshervorming. In primeur publiceren wij zijn volledige nota. Daarin pleit hij voor de voltooiing van België tot een volwaardige federale staat met coherente bevoegdheidsclusters en een grotere transparantie inzake geldtransfers tussen regio’s en gewesten. De belangrijkste reden voor België om als federale staat te blijven bestaan, is in zijn ogen dat een samenleving als de onze baat heeft bij een versterking van het samenhorigheidsgevoelen van oude en nieuwe burgers rond universeel-Europese democratische waarden, normen en besluitvormingsprocedures.
Zijn volledig artikel van 18 blz. hebben we in bijlage bijgevoegd. Een verkorte versie van zijn hand, zoals ze ook gepubliceerd werd op de website van het weekblad Knack, staat hieronder.
Walter Van Gerven, in zijn volledige nota: “Wil dit land als politieke eenheid verdergaan dan is een bijsturen van de huidige structuren evenwel onvermijdelijk. Dit impliceert het voltooien van het federale stelsel door een laatste, goed overwogen herschikking van bevoegdheden waarbij gestreefd wordt naar coherente bevoegdheidsclusters en een grotere transparantie inzake geldtransfers tussen regio’s en gewesten.”
De belangrijkste reden voor België om als federale staat te blijven bestaan, is in zijn ogen “dat een samenleving als de onze die - zoals in andere Europese landen - een belangrijke multi-culturele en etnische metamorfose ondergaat, baat heeft bij een versterking van het samenhorigheidsgevoelen van oude en nieuwe burgers rond universeel-Europese democratische waarden, normen en besluitvormingsprocedures. Dit is een samenhorigheid die, zoals reeds beklemtoond, insluitend hoort te zijn en niet buitensluitend, verwelkomend en niet afstotend, extrovert en niet introvert, nationaal maar niet nationalistisch. De omvorming van ons land in een losse statenbond, laat staan een opsplitsing, geeft in dat opzicht een verkeerd signaal aan de eigen burgers en aan die van de andere Europese landen: het signaal van een staat en een samenleving die zich terugplooien op de eigen identiteit. Het politieke gekibbel van de jongste maanden omtrent de regeringsvorming en de daaraan gekoppelde staatshervorming is evenwel niet van die aard om vertrouwen te wekken. Het onvermogen van beide kanten om toegevingen te doen, duidt op een onderhuidse onverdraagzaamheid die onverenigbaar is met een nochtans door alle partijen hoog in het vaandel geschreven democratische dialoogcultuur.”
Anders dan in voltooide federale staten liggen de residuaire bevoegdheden - de bevoegdheden die niet specifiek zijn toegewezen - in België op het nationale vlak. Toch voorziet artikel 35 van de grondwet in de mogelijkheid om ze van de gewesten en de gemeenschappen te laten uitgaan. Om België als federale staat te voltooien is het volgens hem nodig uitvoering te geven aan artikel 35 van de Grondwet waarbij volgende punten in overweging kunnen worden genomen:
- de materies moeten worden aangeduid die federaal blijven; alle overige worden aan het lagere niveau toebedeeld, in overeenstemming met het beginsel van basisdemocratie en het beginsel van subsidiariteit;
- aan het federale én het regionale niveau wordt een bevoegdheid van belastingheffing gegeven in evenredigheid met de aan elk niveau toegekende bevoegdheden. Alleen op die manier kan op alle niveaus een gevoelen van verantwoordelijkheid en rekenplichtigheid worden gecreëerd;
- toewijzing van bevoegdheden aan het ene of het andere niveau betekent niet dat die toewijzing exclusief moet zijn. Sommige bevoegdheden kunnen worden verdeeld tussen het hogere en het lagere niveau – waarbij aan het hogere niveau voorrang van wetgeving (pre-emptie) kan worden gegeven wanneer dit noodzakelijk is om redenen van vergelijkbare levensstandaarden of uniformiteit van wetgeving ter wille van gelijke behandeling. Elk niveau blijft verantwoordelijk voor de implementatie van de eigen wetgeving;
- op federaal niveau kan gebruik worden gemaakt van kaderwetgeving waarbij aan het regionale niveau de bevoegdheid wordt gegeven om het federale kader op eigen initiatief in te vullen (keuze van middelen) met dien verstande dat de in de kaderwetgeving voorop gezette objectieven (verplichte doelstellingen) worden nagekomen. Gecombineerd met de onder het vorige streepje genoemde verdeling van bevoegdheden is dit een techniek die in de sociale zekerheid kan worden toegepast: basiscomponenten en grondbeginselen die exponent zijn van het principe van de Sociaalstaat, dienen een federale materie te blijven.
- tussen het federale en het regionale en tussen de regio’s bestaat een plicht van loyaliteit die meebrengt dat bij de uitoefening van bevoegdheden rekening wordt gehouden met het algemeen belang en dat van de andere partners. Onder omstandigheden kan dit, binnen bepaalde perken en op een transparante manier, leiden tot financiële bijstand in geval van nood. Toezicht daarop is niet alleen een politieke aangelegenheid maar wordt ook aan het Grondwettelijk Hof opgedragen.
Hij eindigt zijn volledig artikel met de bedenking dat, “vooraleer het grondwettelijk werk aan te vatten de vraag moet worden beantwoord of er (nog) voldoende samenhorigheid aanwezig is om een duurzame federale structuur tot stand te brengen - een vraag waarop alle democratische politieke partijen een eenduidig antwoord moeten geven.” Een zeer pertinente vraag. Zoals Wilfried Martens in de uitzending ‘Rondas’ op zondag 17 februari stelde, is een van de voorwaarden voor het voortbestaan van een federaal België, dat de Franstaligen ‘vrede’ willen sluiten, en ophouden met hun eisen tot territoriale uitbreiding van het Franstalig gebied. Een zeer pertinente bedenking.
De ingekorte versie
I
1. Voor de helderheid van de begrippen is het nodig vooraf de vraag te beantwoorden of België dat zichzelf een federale staat noemt (art. 1 Grondwet), daarvan wel degelijk de objectieve kenmerken bezit. M.a.w., is België al een "federale staat" of is het in wezen nog een unitaire staat die, zoals het V.K., aan devolutie onderhevig is? In tegenstelling tot voltooide federale staten als de V.S. of Duitsland of zelfs de Europese Unie (EU) (die een federale structuur in wording is), zijn in België geen bevoegdheden overgedragen aan het federale niveau door bestaande (autonome) delen maar zijn de bevoegdheden op federaal niveau aanwezig uit hoofde van 's lands voormalig unitair karakter. Dat betekent dat het Belgische federaliseringproces -- anders dan het Amerikaanse, het Duitse of het Zwitserse -- niet "centraliserend" of "integrerend" is verlopen, d.i., niet vertrokken is vanuit bestaande staten naar de federale entiteit ("van beneden naar boven") maar - zoals in Spanje, of het V.K. -- verlopen is en nog verloopt, vanuit een bestaande unitaire staat naar opgerichte deelentiteiten, d.i., "van boven naar beneden".
2. Om de diepgang van het Belgische proces te evalueren moet derhalve worden nagegaan in welke mate de unitaire staat, sedert 1970, bevoegdheden heeft overgedragen aan de onderdelen van de staat, dit zijn, volgens artikel 1 G.W., "de gemeenschappen en de gewesten". Het is nuttig de Belgische situatie kort te vergelijken met de in Groot-Brittannië door de Scotland and Wales Acts van 1998 op gang gebrachte "devolution". Daaruit blijkt dat de Belgische structuur, zoals kon worden verwacht, 'federaler' is dan de Britse. Dat is zo, omdat het Britse Parlement ten allen tijde de aan Schotland en Wales afgestane bevoegdheden kan terugnemen en dat er in het V.K. geen geschreven grondwet is, en geen Constitutioneel Hof, waardoor een dergelijke terugname ongrondwettelijk kan worden verklaard. Dat ligt allemaal anders in België. Daartegenover staat dat ons land vooralsnog even weinig 'federaal' is als het V.K. wat betreft het cruciale punt van de residuele bevoegdheden. In voltooid federale staten, zoals de V.S. (Amendment X) en Duitsland (art. 30 Grondwet), liggen die bevoegdheden bij de deelstaten terwijl ze in België alsnog op het nationale vlak liggen, d.i., tot wanneer zij, aldus artikel 35, lid 1 en 2, G.W., bij wet "aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid, G.W.", aan de gemeenschappen en de gewesten zullen zijn overgedragen. Deze bijzondere wet kan slechts in werking treden nadat de lijst van aan de federale overheid toekomende bevoegdheden vooraf zijn vastgelegd (art. 35, overgangsbepaling).
3. Nu de residuele bevoegdheden nog bij de federale overheid liggen, kan dan wel van België worden gezegd dat het al federaal is? M.a.w., vertonen de gemeenschappen en gewesten (hierna 'deelentiteiten' genoemd) reeds voldoende kenmerken die ervoor zorgen dat zij als autonome entiteiten kunnen worden beschouwd waardoor België als een federaal land kan worden aangemerkt? Of zijn die deelentiteiten (nog) louter ondergeschikte besturen zoals provincies of arrondissementen, weliswaar van een hogere rang maar van eenzelfde, niet-autonome aard? Het antwoord is dat België wel degelijk reeds een federale staat is omdat de deelentiteiten eigen rechtstreeks verkozen wetgevende organen bezitten én eigen jegens die wetgever rekenplichtige executieven; bovendien zijn, in een aantal domeinen, aan de wetgevende organen van de deelentiteiten exclusieve bevoegdheden toegewezen, gelijkwaardig met deze toegekend aan de federale wetgever; voorts beschikken de gemeenschappen, als verlengstuk van hun interne autonomie, over een ruime internationale bevoegdheid; tenslotte nemen zij deel aan de federale besluitvorming en zijn zij gehouden tot loyale samenwerking, zoals gebruikelijk is in een federale structuur. Daarbij komt dat, ook al zijn de residuele bevoegdheden nog niet overgedragen, het voornemen daartoe wel degelijk bestaat zoals blijkt uit de daarvoor in de grondwet uitgestippelde procedure.
4. Het voorgaande belet niet dat er in hoofde van de deelentiteiten als geheel gezien -- d.w.z., gemeenschap en gewest 'geconsolideerd' (zoals in Vlaanderen het geval is, en voor Wallonië best zou gebeuren) -- een aantal elementen ontbreken waaruit blijkt dat België nog geen voltooide federale structuur heeft. Het gaat meer bepaaldelijk over: de reeds genoemde niet-overheveling van residuele bevoegdheden naar de deelentiteiten, de afwezigheid bij die entiteiten van een eigen volwaardige bevoegdheid tot belastingheffing, het gebrek aan een duidelijke structuur van exclusieve en gedeelde bevoegdheden, de onvoldoende invulling van de loyaliteitsverplichting en de afwezigheid van een echte Senaat waarin de deelgebieden vertegenwoordigd zijn. Daarnaast geldt wel reeds het beginsel van samenwerking (coöperatief federalisme) maar ontbreekt het beginsel van voorrang van federaal recht. Ik zal op al deze punten kort ingaan. Uitgangspunt is daarbij dat een echt federale democratische structuur -- zoals die bestaat in voltooide federaties als de V.S. of de BRD, of zich ontwikkelt in een statenbond als de EU -- uiteindelijk een structuur is, ongeacht de (al of niet unitaire) oorsprong ervan, die rust op een burgersamenleving met een zekere cohesie waaraan zij haar bevoegdheden ontleent (zie punt 5).
5. Na wat voorafgaat moet nog weinig worden gezegd over residuele bevoegdheden. De Belgische grondwetgever heeft zelf ingezien dat dit een nog belangrijk ontbrekend element is van de federale structuur: het beginsel van overdracht is ingeschreven in artikel 35 G.W. maar voorlopig opgeschort tot de politieke wil aanwezig is om het voluit toe te passen. Zoals hierboven vermeld, in een echte federale structuur, zoals die bestaat in de V.S. en de BRD en in wording is in de EU, vormen de residuele bevoegdheden de onderlaag van waaruit een democratische soevereiniteitsstructuur, van onder naar boven wordt opgebouwd, d.i., van de burgers naar de dichtst bij hen zijnde overheid en dan naar de meer verwijderde overheden. Het beginsel sluit dus nauw aan bij het subsidiariteitsbeginsel: bevoegdheden mogen aan een hogere overheid slechts worden toegekend als kan worden aangetoond dat de lagere overheid niet bij machte is om de bevoegdheid zelf even goed uit te oefenen. Beide beginselen gelden overigens ook voor de EU: overeenkomstig het attributiebeginsel (art. 5, lid 1, EG) verblijven de niet aan de Unie overgedragen bevoegdheden bij de lidstaten; bovendien moeten de aan de Unie overgedragen bevoegdheden, die niet exclusief zijn, op een subsidiaire wijze, en proportioneel, worden uitgeoefend (art. 5, lid 2 en 3, EG).
6. Ook over een ander belangrijk punt, een (met andere overheden gedeelde) bevoegdheid tot het heffen van belasting, kan ik kort zijn. De gewesten hebben weliswaar reeds een aantal beperkte heffingbevoegdheden maar dit volstaat niet. Is het immers niet vanzelfsprekend dat - wanneer bevoegdheden zijn toegewezen aan een lagere of een hogere overheid - aan die overheid ook de bevoegdheid wordt toegekend om, op eigen verantwoordelijkheid en ten laste van de 'eigen' burgers de financiële middelen te heffen om die bevoegdheden waar te maken? Alleen dan kan aan de betrokken overheid worden gegarandeerd dat zij haar autonomie op een effectieve manier kan invullen; en kan haar bovendien de verplichting worden opgelegd om over het door haar gevoerde beleid verantwoording af te leggen aan de burgers aan wie zij de middelen heeft onttrokken. Het is dan ook niet toevallig dat zowel in het Amerikaanse (Art. I, s. 8 (1) en Amendment X) federale stelsel als in het Duitse (art. 104a Grondwet), het de Staten respectievelijk de Länder toekomt (zoals ook aan de federale overheid) om belastingen te heffen en daarvoor rekenplichtig te zijn.
7. Een derde punt verdient meer aandacht. In een voltooid federaal systeem zijn er, benevens een aantal exclusieve federale bevoegdheden, een aanzienlijk aantal gedeelde bevoegdheden en verantwoordelijkheden. Hoofdstuk VII van de Duitse Grondwet is daarvan een illustratie. Nadat in artikel 70 de residuele bevoegdheid van de Länder is voorop gesteld en in de artikelen 71 en 72 de termen "exclusieve" ("Ausschliessliche") en "samenlopende" ("Konkurrierende") wetgevende bevoegdheid zijn gedefinieerd, worden in artikel 73 een lijst van elf bevoegdheidsclusters opgesomd die "exclusief" aan de Bund toekomen en vervolgens in de artikelen 74 en 74a een lijst van vierendertig bevoegdheidsclusters die "samenlopend" zijn. Kenmerkend voor samenlopende bevoegdheden is dat de Länder wetgevende bevoegdheid bezitten zolang de federatie haar wetgevende bevoegdheid niet heeft gebruikt (zogenaamde "pre-emption"), hetgeen de federale overheid alleen mag doen wanneer dit nodig is voor het behoud van een gelijke levensstandaard of het vrijwaren van de wettelijke of economische eenheid binnen de gehele federatie (artikel 72). In de lijst van de exclusieve bevoegdheden komen de klassieke bevoegdheidsclusters voor (o.m. buitenlandse zaken, landsverdediging en veiligheid, burgerschap, paspoorten, immigratie, politiële samenwerking). Met betrekking tot bepaalde materies, en onder dezelfde beperkende noodzakelijkheidvoorwaarde als hiervoor genoemd, is het mogelijk voor de Bund om kaderwetgeving ("Rahmengesetzgebung") uit te vaardigen - die slechts in uitzonderlijke gevallen gedetailleerd en onmiddellijk toepasselijk mag zijn - waarbij het aan de Länder wordt overgelaten om die Bondswetgeving binnen een bepaalde termijn te implementeren (artikel 75 Grondwet). Het Duitse onderscheid tussen, en de definitie van, exclusieve en samenlopende bevoegdheden heeft model gestaan voor het Ontwerp-Verdrag Europese Grondwet. Bovendien heeft de techniek van de raamwetgeving veel gemeenschappelijks met het op Europees niveau gebruikte instrument van de Richtlijn (artikel 249 EG; eerste pijler) en de techniek van het Kaderbesluit (art. 34 (2) b) EU; derde pijler).
Al het voorgaande heeft betrekking op de verdeling van wetgevende bevoegdheden tussen het federale en het landelijke vlak. Daarnaast bepaalt de Duitse Grondwet ook nog de wijze waarop federale wetgeving moet worden geïmplementeerd. In dat opzicht geldt de regel van het executief federalisme hetgeen betekent dat het in de regel aan de Länder toekomt om federale wetgeving te implementeren (artikel 83 met uitzonderingen in art. 86-87) waarbij verschillende modellen worden gehanteerd naargelang de Länder optreden voor eigen rekening of als agenten van de federatie.
De toestand in ons land is minder duidelijk. Als algemeen beginsel geldt dat bevoegdheden van federale en deeloverheden exclusief zijn. Daarop zijn er echter een groot aantal afwijkende systemen die het geheel ondoorzichtig maken: gedeelde exclusieve bevoegdheden (sommige deelaspecten zijn aan de ene overheid, de overige aan een andere toegewezen); parallelle bevoegdheden (cumulatieve uitoefening binnen eenzelfde domein); integrale concurrerende bevoegdheden (pre-emptie t.v.v. de hogere overheid); beperkte concurrerende bevoegdheden (basisregelen door de hogere, aanvulling door de lagere overheid). Wat de uitvoering van wetgeving betreft geldt het principe executief federalisme zoals in de BRD en de EU (anders in de V.S.): elke overheid staat in voor het implementeren van de eigen wet.
Het voorgaande doet heel wat vragen rijzen: Zou het niet eenvoudiger kunnen? Moet exclusiviteit van bevoegdheid het hoofdbeginsel blijven met, daaraan gekoppeld, geen voorrang van hoger recht en derhalve evenmin conforme interpretatie van lager met hoger recht? Moet er niet meer gebruik worden gemaakt van de techniek van 'beperkt concurrerende bevoegdheden' die overeenkomt met het in de EG zeer verspreide instrument van de richtlijn, waardoor "diversiteit binnen uniformiteit" wordt mogelijk gemaakt?
8. Het spreekt voor zichzelf dat er in een ontwikkeld federaal systeem, zoals het Duitse met zijn talrijke samenlopende of gedeelde bevoegdheden, een goede en loyale samenwerking moet bestaan tussen de bestuursvlakken. Deze samenwerking wordt tot uitdrukking gebracht door enerzijds het principe van coöperatief federalisme en anderzijds het beginsel van de "Bundestreue." Aan het eerstgenoemde beginsel wordt vorm gegeven, ook in ons land, door middel van vrijwillige of geïnstitutionaliseerde samenwerking tussen de deelentiteiten (informele contacten, conferenties en comités, overeenkomsten en coördinatieafspraken, gemeenschappelijke inrichtingen). Het tweede beginsel, federale trouw, is niet verwoord in de Duitse Grondwet maar ligt besloten in de rechtspraak van het Duitse Constitutionele Hof. Op grond daarvan moeten Bund en Länder, en de Länder onderling, bij de uitoefening van hun bevoegdheden niet alleen de eigen belangen in het oog houden maar ook het algemeen belang en het belang van de andere entiteiten. In de rechtspraak van het Hof zijn een aantal voorbeelden te vinden van informatie-, medewerking- en onthoudingsverplichtingen, en zelfs bevoegdheidsbeperkingen, die uit het beginsel worden afgeleid. Het speelt eveneens een rol inzake financiering: ingeval van financiële nood van de federatie of van een Land, zijn de andere partners gehouden bij te springen, mede omdat de zwakheid van de ene een weerslag heeft op de andere entiteiten (Grondwettelijk Hof BVerfGE 86, 148, 264). In België is het beginsel van federale loyauteit ingeschreven in artikel 143, § 1, G.W. maar dan slechts als onderdeel van de politieke procedure tot het oplossen van belangenconflicten, en dit uit vrees voor inmenging van het Arbitragehof, nu het Grondwettelijk Hof. In Duitsland is het precies deze rechterlijke rol die aan het beginsel zijn volle spankracht heeft gegeven.
9. Een punt waarop het Belgisch grondwettelijk recht afwijkt van wat gebruikelijk is in een voltooid federaal systeem (zie art. 31 Duitse Grondwet; art. VI Amerikaanse Grondwet) -- en zelfs in een onvoltooid federaal systeem als dat van de EU (eerste pijler; Costa/ENEL, 1964) -- is dat het federale recht in beginsel geen voorrang heeft op het recht van de deelentiteiten. Dit heeft te maken met de Belgische structuur waarin voornamelijk exclusieve en weinig samenlopende bevoegdheden voorkomen."Bundesrecht bricht Landesrecht" geldt dus niet bij ons. Bevoegdheidsconflicten worden door het Grondwettelijk Hof opgelost aan de hand van het evenredigheidsbeginsel volgens hetwelk een overheid, bij het uitoefenen van haar bevoegdheden, zonder redelijke grond geen maatregelen mag treffen die het beleid van een andere overheid bemoeilijken of onmogelijk maken.
10. Anders dan in een volwaardig federaal systeem heeft België dat nochtans een bi-cameraal systeem heeft, geen dubbel systeem van vertegenwoordiging. In een heus federaal systeem is het volk vertegenwoordigd in de Kamer van volksvertegenwoordigers, de deelentiteiten in de Senaat. Ook de EU ontwikkelt geleidelijk aan een vorm van federaal bicameralisme: een Europees Parlement met rechtstreeks verkozen vertegenwoordigers (te vergelijken met de Duitse Bundestag) en een Raad van Ministers met wisselende vertegenwoordigers van de regeringen (te vergelijken met de Duitse Bundesrat) die gezamenlijk de wetgevende bevoegdheid uitoefenen.
II
1. Uit de voorgaande beschouwingen kunnen enkele aanwijzingen worden afgeleid die wellicht van nut kunnen zijn bij het uitwerken van een komende staatshervorming. Een staatshervorming die, wil ze voldoende definitief zijn, er op gericht moet zijn om de huidige onvoltooide federale staat om te vormen tot een voltooide federale staat - hetgeen impliceert dat het zwaartepunt (en dus ook de residuele machten) bij de deelentiteiten liggen, en dat naar een correct evenwicht wordt gezocht tussen federaal en subfederaal niveau (hetgeen betekent dat, waar nodig, aan de bestaande bevoegdheidsverdeling wordt gesleuteld). Het betekent m.i. eveneens dat de deelentiteiten als volwaardige onderhandelaars bij de hervorming moeten betrokken worden.
2. Een concreet uitgangspunt voor elke hervorming is artikel 35 G.W volgens hetwelk de materies moeten worden aangeduid die federaal blijven; alle overige (residuele) worden aan het lagere niveau toebedeeld. Dit is in overeenstemming met het beginsel van basisdemocratie (een staat wordt van onder naar boven opgericht en gestructureerd) en met het beginsel van subsidiariteit (bestuursbevoegdheden worden zo dicht mogelijk bij de burger gelegd en uitgeoefend).
3. Voor een goede uitoefening van bevoegdheden is het onmisbaar dat aan het federale én het regionale niveau een bevoegdheid van belastingheffing wordt gegeven in overeenstemming met en ter verwezenlijking van de aan elk niveau toegekende bevoegdheden. Alleen op die manier kan op alle niveaus een gevoelen van verantwoordelijkheid en rekenplichtigheid worden gecreëerd.
4. Toewijzing van bevoegdheden aan het ene of het andere niveau moet niet noodzakelijk exclusief te zijn. Sommige bevoegdheden kunnen, naar Duits en EU model, verdeeld worden tussen het hogere en het lagere niveau - waarbij aan het hogere niveau voorrang van wetgeving (pre-emptie) wordt gegeven wanneer redenen van juridische, sociale of economische gelijke behandeling daarom vragen. Elk niveau blijft verantwoordelijk voor de implementatie van de eigen wetgeving.
5. Eveneens naar EU en Duits voorbeeld zou op federaal niveau meer gebruik kunnen worden gemaakt van kaderwetgeving waarbij federale doelstellingen verplichtend worden vastgelegd maar aan het regionale niveau keuze van middelen wordt gelaten. Dit maakt binnen federale grenzen een zekere regionale assymetrie mogelijk. Ook het op EU vlak gebruikte instrument van zogenaamd "ondersteunend, coördinerend of aanvullend optreden" van de Unie ten aanzien van de lidstaten (artikel I-17 ontwerp Verdrag Europese GW) - zonder dat dit hoeft of zelfs mag leiden tot eenmaking of harmonisatie van wetgeving - kan wellicht een inspiratiebron zijn om flexibele wetgevings- en implementatieformules uit te denken tussen het federale en subfederale vlak.
6. De technieken van de verdeelde bevoegdheden, van kaderwetgeving en van ondersteunend optreden kunnen wellicht op nuttige wijze worden toegepast in de sociale zekerheid: basiscomponenten en grondbeginselen die exponent zijn van het principe van de Sociaalstaat, dienen een federale materie te blijven maar de invulling kan aan de subentiteiten worden overgelaten.
7. Tussen het federale en het regionale niveau en tussen de regio's bestaat er een plicht van samenwerking en een plicht van loyaliteit die meebrengt dat bij de uitoefening van bevoegdheden rekening wordt gehouden met het algemeen belang en met dat van de andere entiteiten. In geval van nood kan dit tijdelijk, binnen bepaalde perken en op een transparante manier, leiden tot financiële bijstand. Toezicht daarop is niet alleen een politieke aangelegenheid maar wordt ook aan het Grondwettelijk Hof opgedragen.
8. Op termijn kan het bestaande tweekamer systeem wellicht worden omgezet in een federaal bicameralisme, met een Senaat waarin de deelentiteiten zijn vertegenwoordigd met een beperkt aantal leden.
Walter van Gerven, em. hoogleraar Rechten, KULeuven, Gewezen Advocaat Generaal Europees Hof van Justitie
De volledige nota vindt u in bijlage
| Bijlage | Grootte |
|---|---|
| Walter van Gerven natie en burgerstaat.doc | 115 KB |
Reacties
artikel Van Gerven
De oeverloze debatten over en in de Belgische politiek zijn doorgaans best te vergelijken met het gestuntel van referees die elk op zich dezelfde voetbalmatch willen leiden, helaas, zonder de spelregels te kennen, laat staan: na te leven. Het is meteen duidelijk waarom het publiek afhaakt. Met democratie heeft dit niets te maken. Democratie is in ons land al altijd herleid tot een slogan; zij kan worden omschreven als het voorrecht van de simpelsten van geest om de belangrijkste plaatsen in onze samenleving te bezetten en te blijven bezitten. Dat is ook de reden waarom de politiek niet eens aan de hoofdzaak toekomt: goed bestuur.
Walter van Gerven heeft minstens de verdienste dat hij herinnert aan de spelregels. Maar het volk wenst slechts brood en spelen.
Moeten we niet verder gaan
Zeer goede en evenwichtige analyse. Ik stel me evenwel de vraag of de staatshervorming niet verder moet gaan.
Ik citeer " Een concreet uitgangspunt voor elke hervorming is artikel 35 G.W volgens hetwelk de materies moeten worden aangeduid die federaal blijven; alle overige (residuele) worden aan het lagere niveau toebedeeld. Dit is in overeenstemming met het beginsel van basisdemocratie (een staat wordt van onder naar boven opgericht en gestructureerd) en met het beginsel van subsidiariteit (bestuursbevoegdheden worden zo dicht mogelijk bij de burger gelegd en uitgeoefend)."
Ik begrijp wel dat de huidige (nog op uitvoering wachtende grondwetsartikel) zich beperkt tot de bevoegheidsverdeling tot op het niveau van de gewesten, maar als we daarin consequent zijn, dan houden de hierboven in vetjes aangeduide zinsneden in dat we het daar niet bij laten. Een democratie die van onderen naar boven georganiseerd is en die de bevoegdheden zo dicht mogeliijk bij de burger wil plaatsen, begint in de wijk en eindigt met een zeer beperkte bevoegheid op het hoogste niveau, ook op fiskaal vlak. (dcfr. Zwitserland).
Stel dat wij de staatshervorming voltooien, dan vrees ik dat we de facto alleen een verschuiving zullen krijgen van hetgeen nu misloopt op het unitaire, federale vlak naar het gewestelijk vlak. Zo democratisch zijn onze gewestelijke politici ook niet. Het zijn zelfs dezelfde heren en dames die de dienst uitmaken op federaal niveau. Ten gronde zal de democratie er dus niet veel op vooruit gaan. De studie heeft wel de verdienste het ongelijk van het enggeestige en wat naieve nationalistisch denken bloot te leggen, ook al meen ik dat ook deze bevolkingsgroep bij de staatshervorming moet betrokken worden, op straffe van elke aanspraak op een democratie te verliezen.
Moeten wij niet verder gaan?
Bottom up democratie? Inderdaad, maar dit debat lijkt me - hopelijk voorlopig - nogal theoretisch! Vooreerst zal de huidige kaste van 'permanente voogden' zich niet goedschiks opzij laten schuiven. Verder rijst de vraag of en hoe snel men Jan met de pet hiervoor warm én geschikt kan maken. Inspraak zonder inzicht leidt al te vaak tot uitspraak zonder uitzicht! Echte democratie kon wel eens een zeer vermoeiende bezigheid worden! Misschien kan men dit om de zeven tot tien jaar doen door middel van een volksraadpleging. Of dit op het gebied van het bestuur veel zal veranderen is niet duidelijk, omdat de prioriteiten van de bestuursoverheid niet zo vlug evolueren.
Het is inderdaad nodig te komen tot een echte democratie, dit is een staatsvorm waarin de burgers - en bij uitstek de belastingbetalers!!! - betrokken worden bij beslissingen over de zaken die hen aangaan. Elk van de termen uit de vorige zin vraagt echter om een toelichting die we hier bondigheidshalve moeten achterwege laten. Er bestaan blijkbaar communicatietechnieken om de meningen van burgers te verzamelen over maatschappelijke prioriteiten en over de inhoud daarvan. Dat werkt bvb al op gemeentelijk vlak bij de voorbereiding van de gemeentelijke ruimtelijke structuurplannen. Het werkt ook in Nederland bij het invoeren van nieuwe scheepvaartreglementering.
Walter van Gerven pleit niet zozeer voor 'verder gaan' als wel om het 'anders aan te pakken', d.w.z. op een systematische en overzichtelijke wijze die ook tot een overzichtelijker en doeltreffender resultaat leidt, dit in tegenstelling tot de politieke touwtrekkerij en improvisatie die we tot nu toe hebben meegemaakt met een hallucinante bevoegdheidsverdeling tot gevolg. Dat is geen loodgieterswerk maar prutswerk!
Als men toch 'verder' zou willen gaan, kan men best meteen - vóór elke nieuwe bevoegdheidsverdeling - de volledige fiscale autonomie invoeren voor de Vlaanderen en Wallonië. Iedereen weet dan waar hij financieel staat. Misschien breekt de wijsheid dan door. Daarna kan men zo nodig overeenkomen over wat men in de toekomst nog 'samen' wil doen!