Ontvang de nieuwsbrief op regelmatige basis
Zeventien mannen, 'progressieve kunstenaars en intellectuelen' genoemd, hebben met hun 'Gravensteengroep' een manifest geschreven waarin ze de redelijke en rechtvaardige Vlaamse eisen ook hun strijd noemen, die niet telkens weer met (extreem-)rechts gedachtegoed mag worden geassocieerd. Een manifest van de grote principes. Hoe die concreet verder moet worden ingevuld, is dan weer niet zo duidelijk. Toegevoegd op 26.02: een reactie van 9 academici 'voor de internationalistische linkerzijde'. Toegevoegd op 29.02: een antwoord van Etienne Vermeersch, een artikel van Marnix Beyen, docent geschiedenis UA, en een reactie op de 'linkerzijde'
Een club van zeventien mannen, 'progressieve kunstenaars en intellectuelen' genoemd, hebben zich verenigd in de 'Gravensteengroep'. Aan de Lievekaai in Gent, in de schaduw van het Gravensteen, bespraken ze, zo de inleiding tot hun manifest dat ze op vrijdag 22 februari in De Standaard publiceerden, "de noodzaak om een moderne, democratische visie te ontwikkelen op de aanslepende politieke problemen in België." Enige intolerantie is het manifest, waarvan de ondertekenaars ondermeer de waarden van vrijheid en wederzijds respect centraal zeggen te stellen, merkwaardig genoeg niet vreemd. Al wie het met hun analyse niet eens is, krijgt een veeg uit de pan, want dezen ontbreekt het aan intellectuele moed: "dat een flink deel van de Vlaamse culturele wereld de intellectuele moed mist om deze analyse te maken", vinden ze onbegrijpelijk. Dat deze culturele wereld zich, "samen met de oude Belgische elites, vastklampt aan een Belgisch status-quo," vinden ze onaanvaardbaar. (N.v.d.R. Vraag: wie klampt zich waaraan vast? Of moet men eerst een vijand creëren om zijn eigen standpunt daarvan te kunnen afzetten? Hadden ze niet beter die paragraaf geschrapt, want hij brengt niets bij aan de essentie van hun boodschap? ) Ze menen dat de taalgrens de kracht heeft van een staatsgrens, en wie in een grensgemeente een meerderheid verwerft, om de grenzen te verplaatsen, "daarmee het principe van de politieke solidariteit tussen de gewesten ondergraaft, en meteen ook van de Belgische federale structuur op zich."
Hiermee neemt bijvoorbeeld ondertekenaar Etienne Vermeersch wel een heel ander standpunt in dan in zijn opiniestukken in diezelfde krant van nog niet zo lang geleden, waarin hij voorstelde vier faciliteitengemeenten bij Brussel aan te hechten:
"In de acute crisissituatie die we nu beleven, is het van kapitaal belang dat iedereen zich duidelijk uitspreekt over het territorialiteitsbeginsel. Er kan voor de Vlamingen geen sprake zijn op dit punt toe te geven onder de vorm van in- of uitschrijvingsrechten, die het beginsel op termijn uithollen. Daar staat wel tegenover - de waarheid heeft haar rechten - dat de niet-uitdovende faciliteiten en de huidige politieke en juridische rechten van de Franstaligen in heel BHV in feite afbreuk doen aan het territorialiteitsbeginsel. Maar dat hebben de Vlamingen in de vorige overeenkomsten nu eenmaal aanvaard (ik krijg brieven met krampachtige pogingen om dat te betwisten, helaas vruchteloos). De splitsing van BHV, juridisch en politiek, moet er komen, maar compensaties zijn onvermijdelijk. Ze moeten echter ook een definitieve oplossing inzake territorialiteit brengen. Dus vier faciliteitengemeenten bij Brussel en in de twee andere worden de faciliteiten uitdovend (DS 20 september). De virtuele grens van Vlaanderen wordt verkleind (gemeenten met 80 procent Franstaligen vallen weg), maar de reële grens wordt uitgebreid (faciliteiten uitdovend)." (DS 13 nov '07)
Vreemd ook dat ondertekenaar Ludo Abicht nu Brussel als afzonderlijk gewest ziet zitten. Het manifest: "Daarnaast vormt reële tweetaligheid in Brussel, als hoofdstedelijk gewest, de laatste kans voor België om als confederale staat te overleven." Toch Brussel als derde gewest?
In een opiniestuk in De Standaard op 25 april '07, mede door Ludo Abicht ondertekend, luidt het: "In een volgende communautaire bespreking zou Vlaanderen de fusie van het Brussels Gewest met het Vlaams Gewest ter tafel moeten brengen. Zo zal de Vlaamse regering de grondgebonden bevoegdheden over Brussel-19 uitoefenen. Dit is de toegeving die de Franstaligen moeten doen. Vlaanderen, van zijn kant, moet de Franstaligen van Brussel en de faciliteitengemeenten, als een culturele minderheid in zijn schoot opnemen, zonder hen tot voorwerp te maken van politieke of administratieve vervlaamsingsdruk. En het Vlaams Gewest moet ook financieel garant staan dat deze Franse Gemeenschap haar culturele en persoonsgebonden bevoegdheden kan uitoefenen."
3 gewesten? Wat met Brussel?
Het is natuurlijk ieders volste recht om van mening te veranderen, maar de wijziging lijkt me bij beiden toch erg groot, zonder enige motivatie. Of was dit nodig om tussen de vele lente-, warande- en andere manifesten toch een 'Links' discours met 17 ondertekenaars te kunnen laten horen? ('Vlaams is links', schrijft De Standaard in de titel op blz. 2, waarin het manifest op blz. 25 wordt aangekondigd). Dat ze het principe nog eens duidelijk stellen dat de politieke solidariteit moet geëerbiedigd worden, met name het respect voor grens en ruimte, om verder te kunnen discussiëren over sociaal-economische solidariteit, is zeker terecht. Dat is het sterkste punt van hun boodschap. Daar vinden ze zelfs bij een prominent B-plusser een bondgenoot: Wilfried Martens stelde in de uitzending ‘Rondas’ op zondag 17 februari dat een van de voorwaarden voor het voortbestaan van een federaal België is, dat de Franstaligen ‘vrede’ willen sluiten, en ophouden met hun eisen tot territoriale uitbreiding van het Franstalig gebied. Ze hoeven dus met hun manifest niet meer de indruk weg te nemen dat redelijke en rechtvaardige Vlaamse eisen telkens weer met (extreem-)rechts gedachtegoed worden geassocieerd. Tenzij ze Martens ook beschouwen als (extreem-)rechts ?
Echter, na de grote principes te hebben geformuleerd, is hun vraag verder heel erg vaag: "In het verlengde van deze moderniseringsgedachte vragen wij transparante politieke structuren, responsabilisering van de regionale besturen, de toepassing van democratische grondrechten, en onschendbaarheid van taalgrenzen." Wat moet men daar allemaal onder verstaan? Hoe denken zij hiermee van "een institutionele doolhof met zeven parlementen en zes regeringen" af te geraken?
Het manifest: " Als een consensus over deze basisbeginselen wordt afgewezen, is elke discussie over staatshervorming zinloos. Noodgedwongen moeten we dan de nodige stappen zetten om de regio's als onafhankelijke staten deel te laten uitmaken van de Europese Unie." Gaat het dan om 3 regio's? Laten ze Brussel vallen als Vlaams gebied? Krijgen de Franstaligen dan in Vlaanderen, zoals Abicht e.a. het eerder voorstelde, de rechten van een culturele minderheid? Moeten ze dan niet meer, zoals de laagopgeleide allochtone migranten, de inspanning doen om de taal van het nieuwe thuisland eigen maken? Op zijn minst zijn die 17 mannen een beter en duidelijker antwoord op die vragen verschuldigd. Wat er 'links' is aan hun manifest, behalve het feit dat ze (linkse) 'progressieve kunstenaars en intellectuelen' worden genoemd, kunnen ze wellicht ook even verduidelijken.. We moeten dus wachten op een eventueel 'Gravensteenmanifest II' om daar meer duidelijkheid over te krijgen.
Hoe het verder ging, kan u hier.... lezen (Een nieuw Gravensteenmanifest?) en hier... (Represailles voor ondertekenaars?).
Een tweede Gravensteenmanifest van 28.04.08 en de eerste tekst van de Vooruitgroep staat dan weer hier...
Het Gravensteenmanifest - de tekst:
De ondertekenaars van dit manifest, die zich de Gravensteengroep noemen, vertrekken vanuit verschillende politieke en ideologische uitgangspunten, maar zijn het eens in hun gehechtheid aan de democratie en de mensenrechten. Zij stellen de waarden van vrijheid, gelijkheid, solidariteit en wederzijds respect centraal en wijzen alle vormen van racisme en xenofobie radicaal af.
Zij zijn echter verontrust door het feit dat in de recente discussies over de staatshervorming de indruk wordt gewekt dat redelijke en rechtvaardige Vlaamse eisen telkens weer met (extreem-)rechts gedachtegoed worden geassocieerd. Daarom wensen ze de volgende standpunten naar voren te brengen.
Bij het ontstaan van België in 1830 heeft de francofone bourgeoisie de kans schoon gezien haar prioriteiten veilig te stellen, door een regime te installeren dat essentieel op sociale ongelijkheid en discriminatie van de Vlaamse taal en bevolking was gefundeerd. Die sociaal-economische ongelijkheid is mettertijd in grote mate weggewerkt dankzij een strijdbare arbeidersbeweging. Het recht op eigen taal en cultuur hebben de Vlamingen echter moeten afdwingen via een kluwen van ondoorzichtige compromissen. Het resultaat is een omslachtige staatsstructuur, een institutionele doolhof met zeven parlementen en zes regeringen. Onze 'imagoschade' in het buitenland wordt niet alleen veroorzaakt door de voorbije formatiecrisis, maar ook door de chaos die de Belgische constructie na 177 jaar lapwerk kenmerkt. De verkiezingsuitslag van 10 juni 2007 in Vlaanderen is mee veroorzaakt door het ongenoegen over deze historische vergroeiing en lijkt een onomkeerbare optie op de toekomst te nemen.
Dat een flink deel van de Vlaamse culturele wereld de intellectuele moed mist om deze analyse te maken, is onbegrijpelijk. Dat ze zich, samen met de oude Belgische elites, vastklampt aan een Belgisch status-quo, is onaanvaardbaar. Dit zelfverklaard 'progressief Vlaanderen' stelt zich behoudsgezind op en dreigt de trein van de geschiedenis te missen. Ons aanknopingspunt is niet een belegen Vlaams romantisme, maar wel de Verlichtingsfilosofie, het democratisch gelijkheidsbeginsel, een moderne visie rond decentralisatie, subsidiariteit, schaalverkleining en regionale autonomie die overal in Europa aan de orde is, van Schotland tot Kosovo, en van Catalonië tot Estland.
Centraal staat daarin het principe van territorialiteit. In 1962-63 werden de definitieve grenzen vastgelegd van Vlaanderen, Wallonië en Duitstalig België, als taalkundige én culturele ruimtes binnen het Belgische federaal bestel. Dit nadat al in 1932 de eentaligheid der regio's, mee onder sterke Waalse druk, werd aanvaard. De taalgrens heeft hier in dit opzicht de kracht van een staatsgrens. Zo'n ruimtelijke afbakening impliceert bepaalde spelregels, nodig voor een gezond sociaal weefsel. Wereldwijd beschouwt men het namelijk als evident dat een immigrant, na een aanpassingsperiode, zich inburgert door zich de taal van het nieuwe thuisland eigen te maken. Dit doet geen afbreuk aan de mensenrechten inzake godsdienst, culturele eigenheid of taalgebruik in de privé-sfeer. Laagopgeleide allochtone migranten doen deze inspanning met vrucht, terwijl veelal hoogopgeleide Franstalige inwijkelingen in Vlaanderen dit om principiële redenen niét blijken te doen, hierin gesteund door hun politici. Sommigen menen zelfs dat het volstaat, in een grensgemeente een meerderheid te verwerven, om de grenzen te verplaatsen. Daarmee ondergraven ze het principe van de politieke solidariteit tussen de gewesten, en meteen ook van de Belgische federale structuur op zich. Men kan zich indenken hoe de Fransen zouden reageren, mocht een Duitstalige meerderheid in een Franse grensgemeente eventjes de grenzen tussen beide landen willen wijzigen…
De ondertekenaars van dit manifest vinden daarom dat elke discussie over sociaal-economische solidariteit onmogelijk wordt, indien men de politieke solidariteit, dit wil zeggen het wederzijds respect voor grens en ruimte, niet eerbiedigt. Er is een ommekeer in de mentaliteit nodig bij de francofone politici: wij hoeven dit respect niet 'af te kopen'. De splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde is een toepassing van dat in de grondwet verankerd territorialiteitsbeginsel. Daarnaast vormt reële tweetaligheid in Brussel, als hoofdstedelijk gewest, de laatste kans voor België om als confederale staat te overleven.
Als een consensus over deze basisbeginselen wordt afgewezen, is elke discussie over staatshervorming zinloos. Noodgedwongen moeten we dan de nodige stappen zetten om de regio's als onafhankelijke staten deel te laten uitmaken van de Europese Unie. Overigens, in de post-Belgische context van de Europese samenwerking kan interregionale solidariteit maximaal spelen. Wij willen, als welvarende regio, zowel de interpersoonlijke als de interregionale solidariteit in stand houden. Met ons hoofd én met ons hart. Maar niet met een latent onbehagen over cultuurimperialisme, ongezond parasitisme, en verborgen partijpolitieke agenda's.
Dit België is zonder duidelijke, onherroepelijke afspraken niet werkbaar. Wie een hervorming in deze democratische zin afwijst, pleit in feite voor de ontbinding van die staat. In het verlengde van deze moderniseringsgedachte vragen wij transparante politieke structuren, responsabilisering van de regionale besturen, de toepassing van democratische grondrechten, en onschendbaarheid van taalgrenzen. Met onze Franstalige vrienden als het kan, zonder hen als het moet.
Meer autonomie zal eenieder tot voordeel strekken. Gelukkig groeit aan beide zijden van de taalgrens het besef dat ook Franstalig België zijn eigen groeikansen hypothekeert in de mate dat het zich laat gijzelen door politici die zweren bij de status-quo. De oude vijandbeelden moeten vervangen worden door nieuwe samenwerkingsverbanden, gebaseerd op een evenwicht tussen solidariteit en verantwoordelijkheid. Wallonië als bevriende partnernatie lijkt ons een aantrekkelijker perspectief dan een staatsbestel dat zich van de ene crisis naar de andere voortsleept.
Etienne Vermeersch, Fransjos Verdoodt, Piet van Eeckhaut, Jef Turf, Bart Staes, Johan Sanctorum, Jean-Pierre Rondas, Yves Panneels, Chris Michel, Bart Maddens, Paul Ghijsels, Paul De Ridder, Dirk Denoyelle, Peter De Graeve, Eric Defoort, Jo de Caluwe, Ludo Abicht
Men kan hun tekst nog eens nalezen op hun website, waar men ook het manifest mee kan ondertekenen
Aanvulling: het manifest verscheen ook in Le Soir van zaterdag 23 februari onder de titel 'Avec nos amis francophones, si possible; sans eux s'il le faut'.
De ondertekenaars krijgen tussen haakjes een nadere omschrijving: Ludo Abicht (professeur de philo), Jo de Caluwé (acteur), Eric Defoort (historien), Peter De Graeve (philosophe), Dirk Denoyelle (imitateur), Paul De Ridder (docteur en histoire), Paul Ghijsels (ex-journaliste VRT), Bart Maddens (professeur de sciences politiques), Jean-Pierre Rondas (producteur radio), Johan Sanctorum (philosophe), Bart Staes (eurodéputé Groen!), Jef Turf (communiste), Piet van Eeckhaut (avocat), Fransjos Verdoodt (historien) et Etienne Vermeersch (professeur de philosophie).
Reacties
een standpunt van Marnix Beyen, docent geschiedenis UA
In De Standaard van vrijdag 29 februari 2008 een reactie op het Gravensteenmanifest door Marnix Beyen, docent geschiedenis aan de universiteit Antwerpen onder de titel
Een zelfverslindende democratie
Dat de aanslepende crisis intellectuelen ertoe brengt het politieke systeem en zelfs het bestaan van België ter discussie te stellen mag verwondering noch verontwaardiging wekken. Het Belgische staatsverband is nu eenmaal niet heilig en vermoedelijk ook niet eeuwig. Wat wél shockeert, is dat de Gravensteengroep haar argumentatie baseert op een erg eenzijdige, ja zelfs kwaadwillige lezing van het Belgische verleden.
'Bij het ontstaan van België', beweren de 17 intellectuelen, 'heeft de francofone burgerij de kans schoon gezien haar prioriteiten veilig te stellen door een regime te installeren dat essentieel op sociale ongelijkheid en discriminatie van de Vlaamse taal en bevolking was gebaseerd.' Het toeschrijven van bewuste persoonlijke intenties ('zijn kans schoon zien') aan een vaag omschreven groep ('de francofone bourgeoisie') toont al meteen dat een zorgvuldige omgang met het verleden niet de grootste zorg is van deze intellectuelen.
Uiteraard werd een deel van de burgerij gedreven door egoïsme en berekening bij haar deelname aan de Belgische Revolutie, maar het getuigt van een achterhaald soort historisch materialisme hierin haar enige drijfveer te zien. De creatie van een nieuw regime in 1830-1831 was overigens niet de machtsgreep van één sociaal-economische groep, maar een moeizaam onderhandelingsproces waarin ook democratische krachten, de katholieke clerus én adellijke grootgrondbezitters hun aandeel hebben gehad. Het resultaat was een eclectisch geheel, dat de ontplooiing van verschillende deelbelangen mogelijk maakte. Daardoor droeg het 'Belgische regime' ongetwijfeld een grotere democratische potentie in zich dan de dominante burgerij het had gewenst.
Men kan zich zelfs terecht de vraag stellen of dat regime niet té democratisch was voor zijn tijd: het gaf immers al ontplooiingskansen aan deelgroepen nog vóór zich een hechte nationale gemeenschap had kunnen vormen. In die zin stond het bloot aan wat de Indische politieke wetenschapper Sunil Khilnani 'the self-devouring capacities of modern democratic politics' noemde. Juist doordat zij de omstandigheden creëren waarbinnen allerhande deelgroepen een politieke stem kunnen krijgen, ondergraven democratische regimes op termijn zichzelf. Deze verschillende groepen gaan immers in de eerste plaats hun eigen belangen nastreven, veeleer dan die van het overkoepelende politieke systeem.
De Belgische politieke geschiedenis toont verschillende voorbeelden van dit mechanisme. De manier waarop de katholieke bevolkingsgroep erin geslaagd is een groot segment van het onderwijssysteem aan de greep van de staat te onttrekken, is misschien wel het meest opvallende. Maar in ruimere zin zijn de verzuiling en de immense macht van de politieke partijen in dit land grotendeels aan ditzelfde mechanisme te wijten. Ook de ontwikkeling van een Vlaamse en een Waalse subnatie heeft in hoge mate kunnen profiteren van dit fundamenteel democratische karakter van het Belgische staatsbestel. Deze processen creëerden ongetwijfeld heel wat frustratie bij dat deel van de Franstalige burgerij dat had gehoopt binnen het Belgische kader haar eigen dominantie duurzaam te vestigen. Die frustraties uiten zich tot vandaag in een hardnekkig ontkennen van taalrechten van de Vlamingen of zelfs in een actieve verfransingsdrang. Deze fenomenen vormen echter niet de kern van het Belgische politieke systeem.
Het zelfverslindende karakter van de Belgische democratie heeft zich gedurende de laatste decennia ook gemanifesteerd in de federalisering. Dat proces werd gedetermineerd door een voortdurende interactie tussen de verzuchtingen van de subnaties en de unitaristische weerstanden die deze opriepen. De belangen van de federatie werden door geen enkele groep principieel verdedigd. Zij leek eerder een noodzakelijk kwaad dan een nastrevenswaardig goed.
Indien ik mijn lezing van de politieke geschiedenis van België tegenover die van de Gravensteengroep wil plaatsen, dan doe ik dit niet vanuit de wil hieruit ook andere conclusies voor de politieke toekomst van het land te plaatsen. Zo zinloos als het is de strijd voor meer Vlaamse autonomie te baseren op het idee van een 'historisch onrecht', zo zinloos is het immers ook zich aan België vast te klampen vanuit de democratische erfenis van dat land. Indien ik mij uitspreek voor een versterking van het federaal bestel, dan doe ik dit niet vanuit gehechtheid aan een 'Belgisch status-quo', maar integendeel omdat ik geloof dat de uitbouw van een reële federatie - met een reële autonomie van de gewesten - een beter antwoord zou bieden op eigentijdse uitdagingen dan de lineaire decentralisatie die de Gravensteengroep voorstelt.
Marnix Beyen doceert geschiedenis aan de universiteit Antwerpen
reactie van Etienne Vermeersch
In De Standaard van vrijdag 29 februari 2008 reageert Etienne Vermeersch op sommige critici van het Gravensteenmanifest. Hij betreurt o.a. de denigrerende opmerkingen over tegenstrevers, maar aanvaardt niet dat men het als een separatistisch pamflet beschouwt. Zijn artikel werd gepubliceerd onder de titel
Verfransing gaat van rijk naar arm
Een middeleeuwse burcht, daarna een kern van industrialisatie en ten slotte toeristische trekpleister. Je kunt het Gravensteen met van alles associëren. Wij vonden het een naam die klonk en de link met onze groep was het feit dat we in de buurt vergaderden. Andere bespiegelingen hierover zijn irrelevant. Maar de 'Gravensteengroep.org' heeft ook scherpere critici. Soms lijken die wat komisch: ze stellen de gemaakt argeloze vraag wie met die 'zelfverklaarde progressieven' kan bedoeld zijn. Wel, onder anderen zij natuurlijk.
Toch is er één punt van kritiek dat ik aanvaard. Er staan in de tekst enkele denigrerende opmerkingen over tegenstrevers. Ik betreur dat. Ikzelf doe dat nooit, maar ik heb hier niet voldoende opgelet. Mag ik dan terloops vragen dat ook onze critici zich in dit opzicht zouden 'gedragen'? Het meest opvallende in twee markante kritieken (Marc Reynebeau in De Standaard en Paul Goossens in De Morgen) is het onvermogen te lezen wat er staat. Ze vinden allebei dat het een pleidooi is voor separatisme.
Nu staat in onze tekst driemaal uitdrukkelijk dat de splitsing slechts onvermijdelijk is 'indien' aan enkele voorwaarden niet is voldaan. 'Als een consensus over deze basisbeginselen wordt afgewezen…'; 'wie een hervorming in deze democratische zin afwijst'; 'met onze Franstalige vrienden als het kan, zonder hen als het moet'. We verontschuldigen ons dat het er geen tien keer staat, maar we dachten: driemaal is scheepsrecht.
Reynebeau poogt toch zijn gelijk te halen door te zeggen dat deze voorwaarden sowieso niet zullen vervuld zijn. Hij beschouwt dus als verworven dat men de grondwet niet zal eerbiedigen inzake grenzen en dat de normale regels van een democratie in Wallonië niet moeten gelden. Maar dat betekent dat de zo lang volgehouden standpunten van alle Vlaamse partijen, ook, zij het aarzelend, door de groenen, gewoon een slag in het water zijn. Waarom jarenlang ruzie maken als men vooraf weet dat men op de essentiële punten zal toegeven?
Goossens gooit het over een andere boeg: hij legt onze tekst opzij en vraagt zich af wat enkele ondertekenaars vroeger gezegd of gedacht hebben. Hij vergeet dat wie een tekst onderschrijft daarin meestal niet zijn volledig gedachtegoed terugvindt, maar wel voldoende ervan om er eerlijk zijn naam onder te zetten. Mag ik dus de minimale correctheid vragen het te hebben over de tekst die er staat. Het is geen separatistisch pamflet, maar het legt wel de vinger op de wonde inzake de huidige impasses. Momenteel hebben de beide partijen (V en F) als laatste drukmiddel om hun 'politieke moed' te bewijzen, de dreiging met een blijvende regeringscrisis. Als ze beide evenveel 'moed' hebben, wordt een echte regering dus onmogelijk.
Bij iemand die vanuit de 'speltheorie' denkt, rijst dan de vraag wie van deze impasse het meest nadeel ondervindt. In mijn optiek is dat Vlaanderen, onder meer omdat wij het leeuwendeel van de export voor onze rekening nemen en omdat een vermindering van ons internationaal krediet automatisch ons het meest zal treffen. Daar stellen wij als stok achter de deur 'Bye bye Belgium' tegenover: als een België met respect voor de grondwet en de democratie niet mogelijk is, dan moeten we een splitsing onder ogen durven zien. Het is waar dat de meningen over het gewenst karakter van deze splitsing binnen onze groep uiteenlopen, maar we zijn het er wel over eens dat het geen ramp zou zijn en in elk geval beter dan eindeloze ruzies gelardeerd met frustrerende toegevingen. De meeste mensen vinden een echtscheiding pijnlijk, maar soms is die te verkiezen boven een ondraaglijk huwelijk. Is het zo moeilijk deze nuance te begrijpen?
Zowel Reynebeau als Goossens zijn het niet eens met het belang dat wij hechten aan de taalgrens. Louis Paul Boon vroeg zich al af hoe je de mensen een geweten kunt schoppen. Maar ze een sociale reflex aanleren lijkt nog moeilijker. Het verplaatsen van de taalgrens rond Brussel - en daarover gaat het in essentie - is een proces waarvan de sociale dimensie in het oog springt. Bij 'cityvorming' trekken eerst de rijkste groepen naar buiten (bijvoorbeeld naar Anderlecht of Schaarbeek); in een volgende beweging gaan die naar aantrekkelijkere buitengemeenten (Linkebeek, Drogenbos), terwijl de minder armen uit het centrum naar de eerste kring vertrekken. En zo verder.
In Brussel was de topklasse in de 19de eeuw Franssprekend. Door sociale druk zijn de lagere klassen daar verfranst. In de volgende fase deed dit proces zich voor in de eerste kring, daarna in de tweede, en nu gebeurt dit in de brede rand rond Brussel. En wat sommige 'linksen' niet schijnen te beseffen: dit proces gaat gepaard met onderdrukking. Verfransing gaat nooit van arm naar rijk, van zwak naar machtig, maar nagenoeg altijd andersom. Dat inzicht in de machtsverhoudingen zou van elke echte socialist en van elke verdediger van de mensenrechten een Vlaamsgezinde moeten maken.
'Entre le fort et le faible, c'est la liberté qui opprime et c'est la loi qui affranchit'. Deze bevrijdende wet is bij ons de taalwet en de taalgrens. Wie rijk is kan de middenstander en de ambachtsman verplichten 'zijn Frans' te leren; gedurende een generatie krijg je dan mensen die gebrekkig Beulemans-Frans spreken en nog een generatie later is de verfransing meestal voltooid. Intussen is dit gepaard gegaan met talloze grote en kleine vernederingen. Dat laat sommige intellectuelen onverschillig: zij spreken immers goed Frans. Ik ook, maar ik blijf denken aan mijn vader en moeder en aan alle gewone mensen die zich in vergelijkbare situaties bevonden hebben en dit ook nu nog beleven.
Dergelijke analyses blaas je niet weg met frasen over het feit dat er in Europa nooit vaste grenzen geweest zijn. Inderdaad, Europa is dan ook eeuwenlang een slagveld geweest. Goossens denkt in de Balkan zijn gelijk te halen. Maar als Europa-kenner moet hij weten dat het Badinter-principe (de vroegere interne grenzen worden de internationale grenzen) wel degelijk succes gehad heeft in Tsjechoslovakije en in de Sovjet-Unie (behalve in de Kaukasus) en dat precies het niet respecteren van de Badinter-grenzen tot de ramp in de Balkan heeft geleid.
Zo kan ons betoog door rationele analyse punt voor punt worden verdedigd, maar daar is meer plaats voor nodig dan voor enkele algemene clichés.
Etienne Vermeersch is hoogleraar emeritus UGent
reactie van de 'internationale linkerzijde'
In De Standaard van dinsdag 26 februari 2008 verscheen een reactie op het Gravensteenmanifest onder de titel
"Vlaams regionalisme is ook neoliberaal globaliseringsproject"
met als inleiding: Negen academici reageren op De Gravensteengroep. 'Ze is blind voor de manier waarop zich op het politiek regionalisme een zuiver economisch liberaal regionalisme geënt heeft.'
De tekst:
In 1904 werd de Gentenaar Edward Anseele de eerste socialistische volksvertegenwoordiger van ons land. Anseele werd niet verkozen door zijn Gentse achterban, maar wel door Franstalige arbeiders uit Luik. Deze Luikse arbeiders hadden ingezien dat ondanks de taalverwantschap met de toenmalige francofone economische elite en het gebrek daaraan met de Gentenaar, het toch Anseele was die het best hun belangen kon verdedigen. Dergelijke elementaire internationalistische linkse reflex lijkt een deel van de linkerzijde vandaag te ontberen.
De Gravensteengroep noemt de Belgische staat terecht een product van de francofone economische elite die de Vlaamse sociaal-economische ontwikkeling decennialang verhinderde of minstens weinig ondernam om het toenmalige economisch tij in Vlaanderen te keren. Wat de Gravensteengroep echter over het hoofd ziet, is dat de Belgische staat mettertijd ook het overheidsniveau werd waarop de Belgische strijdbare arbeidersbeweging haar belangrijkste overwinningen behaalde. Het Belgische niveau is vandaag ook nog altijd het belangrijkste niveau waarop solidariteits- en herverdelingsmechanismen ingebed zitten.
De Gravensteengroep mobiliseert 'de Verlichtingsfilosofie, het democratisch gelijkheidsbeginsel, een moderne visie rond decentralisatie, subsidiariteit, schaalverkleining en regionale autonomie' om haar regionalistische eisen in een links-progressief kleedje te steken. Ze is echter blind voor de manier waarop zich de jongste dertig jaar op dit politiek regionalisme, een zuiver economisch liberaal regionalisme geënt heeft. Dit liberaal-economisch regionalisme zat er al in van bij het begin. Het Vlaamse regionaal economisch denken werd immers gedragen door een Vlaamse economische elite rond het Vlaams Economisch Verbond, weliswaar gesteund door de Vlaamse katholieke werknemersbeweging en haar partijpolitieke vertegenwoordiging. Maar sinds de opkomst van het neoliberalisme in late jaren zeventig nam dit Vlaams regionaal economisch denken een veel minder inclusieve vorm aan. Het Vlaamse economisch regionalisme werd een neoliberaal globaliseringsverhaal, gericht op het creëren van de meeste competitieve en technologische geavanceerde regio (Flanders Technology) of het ontwikkelen van een Vlaams grootkapitaal (Van den Brandes verankeringsstrategie). Wat ook de progressieve verdiensten van een democratisch politiek regionalisme zijn, we mogen niet blind zijn voor de neoliberale strategie die zich er de laatste decennia op geënt heeft.
Het zou verkeerd zijn deze analyse af te doen als een uiting van een voorbijgestreefd en verkrampt nationalisme. Als internationalisten zijn wij voor een Europeanisering en zelfs globalisering van de solidariteit. Herverdelings- en solidariteitsmechanismen werken het best op een geografisch zo ruim mogelijke schaal. Vanuit die optiek is regionalisering een stap achteruit. Het Vlaamse regionaliseringsproject, wat voor nobele bedoelingen er soms ook mee nagestreefd worden, schept mee de mogelijkheid voor de afbraak van hard bevochten solidariteitsmechanismen en een verscherpte concurrentie tussen regionale economieën. Die tendens is nu al zichtbaar, zowel binnen België als daarbuiten (bijvoorbeeld de fiscale concurrentie). Ze wordt gelardeerd met een regionaal revanchisme tegenover economisch armere regio's en hun bevolking. Zij moeten 'geresponsabiliseerd' worden, desnoods door te dreigen met het opzeggen van onze sociaal-economische solidariteit. Voor de internationalistisch ingestelde linkerzijde is solidariteit niet voorwaardelijk. Het is geen pasmunt in onderhandelingen, maar de doelstelling van elke links-progressieve strijd.
Het Vlaams nationalisme mag dan al een progressieve dimensie gehad hebben in het Franstalige, politiek-economische conservatieve België, in de huidige zich globaliserende wereld speelt dit regionalisme, gewild of ongewild, vooral in de kaart van de afbraak van de welvaartstaat, de ondermijning van de arbeidsbeweging en de verscherping van de internationale concurrentie en dus sociale ongelijkheid. De manier waarop het politieke vijandbeeld van de Vlaams-nationalistische beweging de laatste decennia geruisloos verschoof van de ondertussen verdwenen Belgische economische elite (de Brusselse Franstalige holdings) naar de Waalse arbeidsbeweging reflecteert het veranderend karakter van het Vlaams regionalisme.
In tegenstelling tot de Gravensteengroep denken wij dat een progressieve Vlaamse analyse ook oog moet hebben voor het project van de eigen Vlaamse bourgeoisie in haar poging om de winsten te laten stijgen en arbeidskosten te doen dalen. De inzet van het regionaliseringsdebat gaat niet over de technocratische doelstellingen van goed bestuur, subsidiariteit en verantwoordelijkheid, maar over de fundamenteel politieke vraag op welk overheidsniveau de solidariteitsmechanismen in onze geglobaliseerde wereld het best ingebed worden. Voor de internationalistische linkerzijde ligt het antwoord voor de hand.
Stijn Oosterlynck (KU Leuven), Karim Zahidi (UA/UGent), Pascal Debruyne (UGent), Eric Corijn (VUB), Maarten Loopmans (Erasmus Hogeschool Brussel), Francine Mestrum (ULB), Chris Kesteloot (KU Leuven), Jan Teurlings (Universiteit Amsterdam), Bart Cammaerts (London School of Economics)
Eric Defoort over Anseele
In De Standaard van vrijdag 29 februari reageert Eric Defoort op de volgens hem foutieve voorstelling in de tekst van de 'internationale linkerzijde' van het tijdstip en de manier waarop Anseele werd verkozen:
Anseele
De historische kennis van de negen collega's die reageerden op de Gravensteengroep (DS 26 februari) is al te beperkt. Volgens hen werd de Gentenaar Edward Anseele in 1904 de eerste socialistische volksvertegenwoordiger van ons land. Ze zitten er tien jaar naast: de socialisten haalden bij de verkiezingen van oktober 1894 voor de Kamer van volksvertegenwoordigers 28 zetels, onder wie die van Anseele in Luik.
De 'negen academici' komen vervolgens met een 'ontroerend' maar onhistorisch verhaal over Luikse arbeiders die hadden ingezien dat 'ondanks de taalverwantschap met de toenmalige francofone economische elite en het gebrek daaraan met de Gentenaar, het toch Anseele was die het best hun belangen kon verdedigen'. Wat zijn de academici onder de indruk van 'dergelijke elementaire internationalistische linkse reflex'.
In werkelijkheid was er in de Luikse federatie ruzie tussen verschillende facties. Anseele als 'nationale kandidaat' kon een oplossing bieden. Ook Anseele had een oplossing nodig: bij de verkiezingen van oktober 1894, zonder evenredige vertegenwoordiging, had hij zelfs in Gent geen kans om een zetel te halen.
De bereidheid van de Luikenaars om te depanneren werd aangewakkerd door de geldnood van hun socialistische coöperatie. Meerdere maanden vóór de verkiezingen van oktober, in juli 1894, kwamen ze geld vragen bij de Gentse coöperatie Vooruit. De Luikenaars kregen een renteloze lening van 10.000 frank en Anseele kreeg zijn zetel.
Een 'internationalistische linkse reflex'?
Eric Defoort (Gent)
België: het laatste land met onvoorwaardelijke solidariteit
Onvoorwaardelijke solidariteit is volgens de schrijvers van het anti-Gravensteenmanifest een doel op zich voor elke links-progressieve strijd. Daarmee tonen zij aan dat zij enkele decennia achterop hinken. De Scandinavische landen, die bekend staan als de meest progressieve landen, hebben al lang in gezien dat interpersoonlijke solidariteit enkel iets oplevert mits de ontvanger bereid is om iets te doen aan zijn situatie, en daarbij ook voldoende ondersteund wordt. Het gevolg is een hoge tewerkstellingsgraad en een naar Europese maatstaven gezonde economie. Om dit te bereiken, hebben zij sinds lang de onvoorwaardelijkheid van de solidariteit geschrapt. Zij konden ook niet anders. In de jaren '80, toen men de onvoorwaardelijke welvaartsstaat veel ruimer zag, is de Zweedse economie als een pudding in elkaar gezakt. Ook Denemarken is maar uit het dal gekropen door solidariteit niet meer als onvoorwaardelijk te beschouwen. Hetzelfde geldt voor solidariteit tussen regio's. Op Europees vlak is aangetoond dat onvoorwaardelijke subsidiëring van landen of regio's geen of zelfs ongekeerde effecten heeft. Voorwaardelijke steun leidt daarentegen tot efficiënt gebruik van middelen en vooruitgang.
In België daarentegen, is de interpersoonlijke en interregionale solidariteit in de praktijk nog steeds grotendeels onvoorwaardelijk. Zo is België het enige land waar men levenslang een werkloosheidsuitkering kan trekken. Het resultaat van die onvoorwaardelijke solidariteit is desastreus, in het bijzonder voor Wallonië. In plaats van het bedoelde emancipatorische effect, heeft deze vorm van solidariteit – aangemoedigd door de lokale links-progressieve politieke partijen - ganse bevolkingsgroepen ge-de-mancipeerd tot onzekere uitkeringsverslaafden, bij wie alle aangeboren talenten verschrompelen omdat ze de nodige uitwendige stimulans tot zelfrealisatie moeten missen. Het resultaat hiervan is een massale werkloosheid, die - naar te vrezen valt - maar zal verdwijnen wanneer de betroffen personen hun werkloosheidsvergoeding zullen ruilen voor een karig pensioen. Velen onder hen zijn immers gewoonweg niet meer bruikbaar voor de niet-gesubsidiëerde arbeidsmarkt.
Alhoewel men de sociale zekerheid in België meestal gemakshalve als een interpersoonlijke solidariteit bestempelt, kan men niet ontkennen dat het in feite om een interregionale solidariteit gaat. Het zijn immer de politieke keuzes van de regio's die in de praktijk bepalen hoe onvoorwaardelijk uitkeringen zijn en die instaan voor het scheppen van de omstandigheden die de individuen moeten toelaten om zo snel mogelijk terug uitkerings-onafhankelijk te worden. Uitkeringen aan Vlaamse werklozen zijn zo beschouwd een goede investering. Zij laten de werkloze toe om de periode van werkloosheid te overbruggen. Dankzij de gezondere economie, goede opleidingen, efficiëntere activering en de gepaste arbeidethiek duurt die periode meestal niet zo lang. In Wallonië ligt de zaak enigszins anders. Zolang bijvoorbeeld de Waalse overheid er niet in slaagt om het schandalige onderwijsniveau op te krikken, zal Wallonië jongeren blijven afleveren die al bij voorbaat minder geschikt zijn voor de arbeidsmarkt. Als deze jongeren door onvoorwaardelijke uitkeringen niet gestimuleerd worden om hun lot in eigen handen te nemen, zullen ze hetzelfde lot ondergaan als de vele andere langdurig werkloze Walen.
Het is een illusie om te geloven dat Wallonië op eigen kracht in staat zal zijn om de nodige drastische hervormingen door te voeren. Het hoge aantal uitkeringsgerechtigden die, samen met het hoge aantal werknemers in Waalse overheidsdienst, vooral belang hebben bij een status-quo, maakt dat er nooit een politieke meerderheid kan gevonden worden die bereid is om het noodzakelijke te doen. Daardoor zal Wallonië verder wegkwijnen, en de rest van het land meesleuren.
Het herstel van het Waalse economische en sociale weefsel, dat door decennia van contraproductieve onvoorwaardelijke solidariteit grotendeels is vernietigd, zal enkel tot stand komen onder externe dwang, net zoals een individu maar zal emanciperen als hij daartoe gestimuleerd wordt, en net zoals België maar een begin heeft gemaakt aan de sanering van de overheidsfinanciën omdat we gedwongen werden door Europa.
zet Gravensteengroep tripalium in?
Ze noemen zich progressief, maar zijn phallocratisch (vrouwen niet toegelaten); ze stellen zich voor als een steen, maar veranderen constant van mening (zoals Philippe Van den Abeele goed aantoont); ze haten rechts en vooral rechts populisme maar kopiëren hun slogans (zie reactie Eric Verhulst). Wat ze zelf doen, doen ze dus blijkbaar niet beter. Voor vele leden van dit amalgaam groepje, moet het waarschijnlijk pijn doen om eerdere ideeën nu op de helling te plaatsen om toch maar tot een, zij het vage,gemeenschappelijke tekst te komen. Zij komen dus eigenlijk tot een tekst die aantoont dat de vaagheid van onze staatstructuren en de complexiteit van ons stelsel, ook in het onafhankelijk Vlaanderen zou voortduren. Ze konden zich dus de zelfpijniging van de arbeid bespaard hebben. Of is het hun luciditeit die de keuze van hun naam bepaalde. Het Gravensteen is de plaats waar marteltuigen dissidenten tot andere gedachten moesten brengen. Zouden zij het tripalium hebben ingezet om progressieve linkse mannen tot anderen gedachten te hebben bewogen? Misschien dat er daarom geen vrouwen bij zijn. Nee toch!
Rudy Aernoudt
Hoe de groep tot deze tekst
Hoe de groep tot deze tekst is gekomen, interesseert me niet echt. Belangrijker is dat er op het eindresultaat niets op te merken valt. Dat meningsverschillen ook in een onafhankelijk Vlaanderen zullen bestaan is evident en uitstekend. Omdat we dan echter verlost zullen zijn van de nu alomtegenwoordige blokkeringen door minderheden, zal desondanks een veel consequenter beleid mogelijk zijn. De gebeurtenissen van het laatste half jaar, tot en met het windei dat onze regering gisteren gelegd heeft, hebben trouwens nog maar eens ten volle de impotentie van de Belgische staat aangetoond. Daarmee is ook nog maar eens aangetoond dat de op zich verstandige Arnoudt-piste (betere samenwerking in plaats van scheiden) al door de geschiedenis achterhaald is. Er zal een stevig breekijzer nodig zijn om de verkalkte Belgische structuren los te wrikken. Ik zie daarvoor maar één mogelijkheid maar, en dat is de Vlaamse onafhankelijkheid, of – zoals het Gravensteenmanifest suggereert – tenminste de openlijke bereidheid om deze stap te zetten, in de hoop dat de Franstaligen op tijd ingaan op de Vlaamse eisen, zodat een confederatie mogelijk blijft. Juli zal een belangrijke maand zijn. Als er dan geen behoorlijke staatshervorming uit de bus komt, zal voor vele Vlamingen het Belgische gordijn dichtvallen. Dan blijft er maar één mogelijkheid over: voluit gaan voor onafhankelijkheid, met alle voor- en nadelen die erbij horen.
Vreemd initiatief
Dat de schrijvers hier nu andere standpunten innemen, tot daar toe. Wel vreemd is de plotse ommezwaai. Deftig Links blijkt nu plots Vlaams-Nationalistische standpunten in te nemen, terwijl het voordien eerder omfloetst Belgicisme was dat correcte-politiek denken de opinie uitmaakte. Voor de rest is dit standpunt, alhoewel wat vaag, veel genuanceerderd en aanvaardbarder dan hetgeen we gewoon zijn van zowel de nationalisten als de belgicisten.
Vraag is nu wat de bedoeling was. De slogan lijkt daarenboven gestolen bij Lijst dedecker ("Met België als het kan, zonder als het moet"). Is hier misschien een poging bezig om wat stemmen terug te winnen die zich in de verkrampte linkse en belgische ideologie niet meer konden vinden? Of zijn de jaren van Gezond Verstand dan toch doorgebroken?