Ontvang de nieuwsbrief op regelmatige basis
In De Standaard van maandag 28 april 2008 publiceert de Gravensteengroep zijn 'Tweede Gravensteen- manifest'. Een kort artikel van Guy Tegenbos op bladzijde 3 kondigt het artikel aan, met volgende tekst:
Op de vooravond van het feest van de socialistische arbeidersbeweging - 1 mei - en van het Rerum Novarumfeest van de christelijke arbeidersbeweging dat dit jaar ook op 1 mei valt, stuurt de Gravensteengroep een tweede manifest de wereld in. Dat is ruim twee maanden na het eerste manifest (DS 22 februari). De groep bestaat uit linkse intellectuelen en kunstenaars die zich scharen achter de Vlaamse vraag naar verdergaande regionalisering van het land. Zij nemen het niet dat zij om die reden verdacht worden gemaakt omdat ze 'onsolidair' zouden zijn. (gteg)
Tweede Gravensteen-manifest
Meer solidariteit door gelijkwaardigheid
De Gravensteengroep publiceerde op 22 februari haar eerste manifest. Daarin sprak zij haar gehechtheid aan het principe van de solidariteit uit. De samenhang van solidariteit en wederzijds respect vormt de basiswaarde van een rechtvaardige maatschappij. Institutionele hervormingen moeten de realisatie van dergelijke waarden dichterbij brengen. In een tijd van toenemend individualisme is solidariteit de beste garantie om de kloof tussen arm en rijk, tussen individu en gemeenschap, tussen staten en regio's te overbruggen. Eensgezindheid over dit nobele ideaal lijkt vanzelfsprekend. Maar een nauwkeurige analyse van het principe en de toepassing ervan toont aan dat de verwezenlijking van een authentieke solidariteit in onze samenleving steeds moeilijker wordt. Uitgerekend ter verdediging van de solidariteit wil de Gravensteengroep het vaak foutieve en lege gebruik van het begrip aan de orde stellen, meer bepaald door wie voorbijgaat aan fundamenteel democratische principes.
In de loop van de geschiedenis krijgt het begrip solidariteit verschillende betekenissen, wat een slordig en manipulatief gebruik in de hand werkt. Aan het einde van de achttiende eeuw betekent solidariteit de wederzijdse morele verplichting van personen voor en tegenover elkaar. Tijdens de Franse Revolutie is ze synoniem voor 'broederlijkheid'. Naast de principes van 'vrijheid' en 'gelijkheid' wordt de broederlijkheid de derde grote waarde van de Verlichting en de moderniteit. Vanaf het midden van de negentiende eeuw geraakt de term ingeburgerd in de sociale emancipatiestrijd, wanneer arbeiders staken uit solidariteit met hun lotgenoten elders. Het socialisme van de drie opeenvolgende 'Internationales' beschouwt die grensoverschrijdende solidariteit als een van de vaste pijlers van de maatschappelijke ontvoogding. Toch schiet deze solidariteit van bij de aanvang schromelijk tekort jegens de 'verworpenen der aarde' in de Europese kolonies. Uiteindelijk worden in Europa, na de beide wereldoorlogen, systemen van Sociale Zekerheid opgebouwd, die echter uitsluitend op nationale basis functioneren. Deze laatste, reële beperking van de solidariteit tot de eigen natie, vormt onmiskenbaar een minpunt ten opzichte van het 19de-eeuwse principe. Zo overstijgt de solidariteit weliswaar de fabrieksmuren, maar blijft ze tegelijk structureel binnen de landsgrenzen gevat. Buiten die grenzen geldt slechts de aloude 'liefdadigheid'.
In een context van geleidelijke verbrokkeling van de verzorgingsstaat wordt aan de term solidariteit steeds vaker een wisselende inhoud toegekend. Paus Johannes Paulus II maakt in 1987 van de solidariteit opnieuw een christelijke deugd, die van wederzijdse morele verantwoordelijkheid. Zowel het 'Verdrag van Maastricht' (1992) als 'Een Grondwet voor Europa' (2004) verheffen de solidariteit tot basisprincipe. Maar de teksten blijven uiterst vaag over de vraag hoe die verplichting tussen overheid en burgers moet worden geregeld. Regeringsleiders hebben in naam van de solidariteit tijdens de voorbije jaren ongehinderd maatregelen genomen - bijvoorbeeld inzake fiscaliteit - die allesbehalve ten goede komen aan wie echt solidariteit behoeft. Het begrip is inmiddels zozeer moreel beladen, dat elke kritische analyse ervan onmogelijk wordt en de politieke discussie erover verstomt. Solidariteit moet de relatie tussen individu en maatschappij regelen. Zij vormt een reactie tegen het vooropstellen van het eigen belang en betekent een bewuste keuze voor de verbondenheid met anderen. Het solidariteitsprincipe stoelt op het idee van gelijkwaardigheid en verdraagzaamheid. Het veronderstelt wederkerigheid en vrijwilligheid. Wie zich solidair verklaart, aanvaardt een gedeelde verantwoordelijkheid, vanuit het diepe morele besef dat het normaal is dat wij de medemens hulp bieden, wanneer wij daartoe in staat zijn. In een solidaire samenleving wordt louter liefdadigheid vervangen door een sociale structuur, die niet zomaar het leed verzacht, maar ook en vooral de economische en politieke ongelijkheden aanpakt, die van dat leed de oorzaak vormen.
Vanuit die beschouwingen wordt duidelijk hoe principieel de Gravensteengroep is in haar verdediging van de solidariteit. Maar dit principe wordt in de huidige Belgische context misbruikt. Wie in dit land durft te pleiten voor het verder ontwikkelen van de regionale solidariteit, die vandaag een van de wezenlijke voorwaarden vormt voor het behoud van de solidariteit in België, wordt bij voorbaat verdacht gemaakt. Wie daarentegen in naam van de solidariteit de historisch vergroeide en beperkende structuren verdedigt, werpt zich graag op als de verdediger van de sociale democratie. Is het dan niet aangewezen dat Vlaanderen solidair is met Wallonië, met Brussel? Jazeker. Dat is trouwens ook een sociologisch en economisch feit. Maar leven in gelijkwaardigheid en verbondenheid veronderstelt meer dan sociaal-economische solidariteit alleen. Een gelijkwaardige en solidaire samenleving is immers niet realiseerbaar zonder politieke transparantie en zonder politieke solidariteit. Wie sociale solidariteit verwacht, maar tegelijk de politieke solidariteit hypothekeert, ondermijnt zelf, als eerste, het principe van de solidariteit. Dat ontwricht de democratie.
In dit land zijn institutionele hervormingen hoogdringend. Het naast elkaar bestaan van deelstaten, als gelijkwaardige partners, biedt mogelijke garanties voor een reële én realiseerbare solidariteit, voor een op maat gemaakte invulling van regionale behoeften en individuele noden, en voor het aanpassen van onze sociale zekerheid aan nieuwe internationale uitdagingen. De overdracht van sociale, fiscale en economische kernbevoegdheden zal de inwoners van dit land in staat stellen om beter, op een democratische en gelijkwaardige manier, samen te werken. Tijdens de crisis van de afgelopen maanden werd ons ten onrechte voorgehouden dat 'meer Vlaanderen' tegelijk 'minder Wallonië' betekent. Die voorstelling van zaken zal de spanningen slechts doen toenemen, tot het wellicht te laat zal zijn voor een redelijke en op wederzijds respect gebaseerde oplossing. De oplossing van communautaire problemen moet politici aanzetten tot transparantie omtrent hun solidaire intenties, en dit zowel op het vlak van de politieke, de sociale als de regionale solidariteit.
Tinneke Beeckman, Willy Courteaux, Brigitte Raskin, Pierre Darge, Karel Gacoms, Peter Hoogland, Johan Swinnen, Jan Van Duppen, Tuur Van Wallendael, Etienne Vermeersch, Frans-Jos Verdoodt, Piet van Eeckhaut, Jef Turf, Bart Staes, Jean-Pierre Rondas, Yves Panneels, Chris Michel, Bart Maddens, Paul Ghijsels, Paul De Ridder, Dirk Denoyelle, Peter De Graeve, Eric Defoort, Jo de Caluwe, Ludo Abicht, Jan Verheyen.
De Vooruitgroep
Negen personen, zich de 'internationalistische linkerzijde' noemend, had gereageerd op het eerste Gravensteenmanifest, in De Standaard van dinsdag 26 februari 2008, onder de titel "Vlaams regionalisme is ook neoliberaal globaliseringsproject". ".. In tegenstelling tot de Gravensteengroep denken wij dat een progressieve Vlaamse analyse ook oog moet hebben voor het project van de eigen Vlaamse bourgeoisie in haar poging om de winsten te laten stijgen en arbeidskosten te doen dalen. De inzet van het regionaliseringsdebat gaat niet over de technocratische doelstellingen van goed bestuur, subsidiariteit en verantwoordelijkheid, maar over de fundamenteel politieke vraag op welk overheidsniveau de solidariteitsmechanismen in onze geglobaliseerde wereld het best ingebed worden..." Zie hun volledige tekst van toen, alsook het eerste Gravensteenmanifest op de website hier... Wat tussenin nog gepubliceerd werd, kan u hier.... lezen (Een nieuw Gravensteenmanifest?) en hier... (Represailles voor ondertekenaars?), en nog ook hier... (Represailles: niet louter hoon, maar broodroof)
Nu publiceren ze als 'De Vooruitgroep' met twintig ondertekenaars een grondiger stellingname in het tijdschrift Samenleving en Politiek - tijdschrift voor een democratisch socialisme. De Vooruitgroep is de naam van het collectief dat aan de tekst werkte en bestaat uit alle ondertekenaars. De naam verwijst naar het gelijknamige cafe en kunstencentrum met socialistische voorgeschiedenis in Gent (waar ze een aantal keer vergaderden). Ze plannen nog meer teksten. Een verkorte versie van de Sampoltekst werd aan De Standaard aangeboden, die ze publiceerde op 2 mei (We voegen deze aangeboden versie in bijlage en hebben niet in detail nagegaan of exact die versie gepubliceerd werd.) Het volledig artikel leest u hierna (Gepubliceerd in Samenleving en politiek, Jaargang 15, 2008, nr.4 (april), pagina 48 tot 54, zie ook voor meer info over Sampol hier... ) :
Een progressieve gemeenschap heeft meerdere grenzen
Uitgangspunt: globalisering en de hertekening van de solidariteitsmechanismen
De aanslepende nieuwe staatshervorming heropent het debat over de plaats van de Vlaamse eisen in een progressieve strategie. In een reactie op het manifest van de Gravensteengroep (De Standaard, 22/02/2008) plaatsten we het Vlaams regionalisme in de context van de neoliberale globalisering (De Standaard, 26/02/2008). Onze achterliggende bedoeling was het Vlaams regionalisme uit zijn puur Belgische context te lichten. Het houdt verband met een aantal politieke en economische processen die ver voorbij het Vlaamse en Belgische grondgebied liggen, ver voorbij argumenten van Vlamingen zus en Franstaligen zo, ver voorbij argumenten over typisch Belgische ziektes en vermeende Vlaamse eigenheden. Ons argument hoort minder thuis in de vertrouwde Belgische communautaire schema’s dan in de context van de hedendaagse wereldwijde politieke en economische verschuivingen die we globalisering zijn gaan noemen. Het vraagstuk van ‘de politieke gemeenschap’ en haar territoriale verankering is geen louter Belgisch probleem, maar deel van een wereldwijde zoektocht naar een nieuwe ruimtelijke en institutionele architectuur voor de geglobaliseerde solidariteits- en herverdelingsmechanismen van de 21ste eeuw.
Solidariteit is voor ons meer dan een waardenkeuze die men al dan niet kan delen. Het is een sociale noodzaak in een kapitalistische markteconomie. Solidariteit dringt zich op vanuit de sociale effecten van de marktwerking. Marktcompetitie kent onvermijdelijk winnaars en verliezers. Bovendien leidt de vermarkting van arbeidscapaciteit, land (natuur), geld en kennis tot de ontbinding van sociale verbanden tussen mensen onderling en tussen mensen en hun leefomgeving. De markt zelf maakt geen samenleving, maar moet stevig ingebed zitten in een samenleving om die laatste niet finaal te ondergraven. Minder solidariteit en meer markt, zoals de neoliberale globalisering vandaag voorschrijft, versnelt de sociale ontbinding en is dus een gevaarlijke utopie.
De decentralisering van de Belgische staat als globaliseringsverhaal
De neoliberale globalisering ondermijnt ook de nationale territoria en institutionele architectuur waarbinnen zich decennialang de politieke en economische strijd afspeelde en waarop zich solidariteits- en herverdelingsmechanismen entten. Globalisering creëert ook nieuwe grenzen en territoria (zie bijvoorbeeld de Europese Unie) maar ook nieuwe in- en uitgeslotenen. De Belgische staatshervorming is uiteraard geen rechtstreeks gevolg van globalisering. De territorialisering van de taalstrijd en de strijd voor homogene taalgebieden ontstonden als reactie op de defensieve houding van de toenmalige Franstalige elite tegenover legitieme Vlaamse taaleisen (1). Maar de taalstrijd speelde zich wel af in de context van een sterk ongelijke economische ontwikkelingsdynamiek tussen de Belgische regio’s. Op die ondergrond van regionaal ongelijke economische ontwikkeling groeiden sterk verschillende sociaal-politieke configuraties (2). Men kan de transformatie van de Vlaamse taalstrijd in een politiek regionalisme en de communautaire kwestie niet begrijpen zonder aandacht te besteden aan die economische context. De nieuwe regionale territoria die zich over de tijd heen uit de brokstukken van de vaderlandse geschiedenis omhoog worstelden, vinden hun oorsprong in twee erg verschillende globaliseringsgolven: het huidige Wallonië in het prille begin van de industriële revolutie van kolen en staal en het huidige Vlaanderen na de tweede wereldoorlog tijdens de door Amerikaans en ander buitenlands kapitaal gedragen industriële revolutie van consumptiegoederen, petrochemie, autoassemblage. Sociaal-politiek is Wallonië dan ook getekend door de dominantie van een militante arbeidersklasse, Brussel door een conservatieve Franstalige bourgeoisie, Vlaanderen door het samengaan van een overwegend christen-democratische arbeidersbeweging en een burgerij die sterk afhankelijk is van buitenlands multinationaal investeringskapitaal.
De transformatie van de Vlaamse taal- en cultuurstrijd tot een politiek en economisch regionaliseringsproject heeft zijn wortels in de eerste helft van de 20ste eeuw. Lodewijk de Raet en het net opgerichte Vlaams Economisch Verbond bekeken de economische onderontwikkeling van Vlaanderen door een taallens. De Vlaamse demografische meerderheid, die zich via de invoering van het algemeen stemrecht politiek kon laten gelden, en de geleidelijke economische opgang van Vlaanderen vertaalden zich in toenemende politieke macht van de Vlaamse politici binnen de centrale staat. Het reduceren van essentieel politiek-ideologische conflicten zoals de Koningskwestie, de tweede Schoolstrijd en de algemene staking tegen de Eenheidswet tot regionaal-culturele tegenstellingen leidde tot het samensmelten van de taal-culturele en politiek-ideologische breuklijn in de communautaire kwestie (die decennia later zou leiden tot de federalisering van de Belgische staat). De industrialisering van Vlaanderen werd geleid door wat in de volksmond de “CVP-Staat” genoemd werd, die aan het Vlaamse project een eerder populistische (3) invulling gaf. Het dominante (christen-democratische) deel van de Vlaamse arbeidersbeweging schaarde zich in haar queeste voor jobs en economische ontwikkeling in de eigen regio achter het leiderschap van de Vlaamse burgerij en haar multinationale broodheren. De ruimtelijke en maatschappelijke ordening van Vlaanderen is de uitdrukking van de weerstand tegen de sociale strijd die industrialisering met zich meebrengt. Dit Vlaamse populistische blok, waarin corporatisme en volksnationalisme goed gedijden, profileerde zich als tegengewicht voor de tanende macht van de in Brusselse salons residerende Franstalige holdingburgerij en haar unitair Belgisch natievormingproject. Het is in deze dynamiek dat het politieke veld in Vlaanderen vaste vorm kreeg en dat tekende, naast de inschakeling van de socialistische arbeidersbeweging in een technocratische nationale beheerslogica, de zwakke Vlaamse linkerzijde.
Volgens de herauten van de derde industriële revolutie en het neoliberalisme, de meest recente golf van globalisering, zijn de nationale staten overbodig geworden en is de toekomst aan de regio’s. De nationale staat zit gewrongen tussen een opwaartse en neerwaartse herschaling van politieke besluitvorming en regulatie (4). Het Europa van de regio’s is de meest sloganeske uiting van een dergelijk globaliseringsproces (sloganesk vanwege het bijzonder ongelijke karakter en zelfbewustzijn van de Europese regio’s). Deze herschaling van politieke en economische entiteiten verbergt een duidelijke strategie om de inter-regionale concurrentie voor investeringen, grijze materie, belastingbetalers en toeristen op te drijven. Deze concurrentiestrijd wordt gevoerd met openbare investeringen in transport en communicatie, stedelijke herstructureringen, belastingsvoordelen en lage sociale lasten, het socialiseren van milieukosten en de vermarkting van cultuur en identiteit in stads- of regiomarketing. Via deze neoliberale herschalingsstrategie worden de herverdelings- en marktregulerende mechanismen die op nationale schaal ingebed zitten ondermijnd. Elke regio wordt verplicht om zoveel als mogelijk dit spel mee te spelen, maar alleen de winnaars zullen van de resultaten kunnen genieten. Deze geografische concurrentie maakt de rijken rijker (en niet alleen dezen van eigen streek of stad) en de rest relatief armer en kwetsbaarder. In dit neoliberale proces, waar niet alleen bedrijven, maar ook individuen en zelfs steden en regio's met elkaar moeten concurreren, is de staat niet het slachtoffer van de neoliberale globalisering, maar ondersteunt ze die zelf actief door institutionele hervormingen, staatshervormingen als het ware, die moeten resulteren in een gedecentraliseerde competitie-staat. Maar regio's en steden zijn geen bedrijven. Als ze verliezen kunnen ze niet failliet gaan, de inboedel verkopen en verdwijnen. Het principe van "creatieve destructie" is niet toepasbaar op territoria. Een verliezend territorium blijft met onbenutte investeringen, een emigratiestroom en armoede over. Winnende territoria staan opvallend gemakkelijk achter deze geografische concurrentie en vergeten zowel de negatieve gevolgen als het feit dat hun winst dikwijls meer te maken heeft met de effecten van de globale economie op hun ruimtelijke structuur (die zelf de erfenis is van voorbije investeringsrondes), dan met de kwaliteit van hun beleid.
Het Vlaams regionalisme schakelt zich al sinds de late jaren 1970 in in dit neoliberale herschalingsproject. De eerste Vlaamse regering, geleid door Gaston Geens en in nauwe samenwerking met de patronale voorhoede van het VEV bedacht de Derde Industriële Revolutie in Vlaanderen (DIRV). Dit was een zuiver economisch verhaal gericht op het competitiever maken van de Vlaamse economie via een Schumpeteriaans economisch beleid (5). De DIRV-actie werd gedragen door een alliantie van Flandrocraten, een samengaan van economische technocraten en Vlaams regionalisten die de Vlaamse identiteit mobiliseerden en inpasten in een economisch competitiviteitsverhaal. Die alliantie verwees met nauwelijks verholen trots naar een land op twee snelheden. De Vlaamse verankeringsstrategie, die ontstond uit de doodstrijd van de Generale Maatschappij en de francofone Belgische bourgeoisie in 1989, was een nog duidelijkere poging om een Vlaamse economische elite te creëren die de vrijgekomen plaats van de Franstalige holdingsburgerij kon innemen. De offensieven voor meer regionale decentralisatie die elkaar sindsdien met de regelmaat van de klok opvolgen zijn evenmin klassenneutraal. Zo dient de regionale fiscale autonomie vooral om sneller een verlaging van de vennootschapsbelasting te realiseren, meer middelen en kansen te scheppen voor het privé-initiatief en een kapitaalsvriendelijker ondernemingsklimaat te creëren. Het argument om delen van de werkloosheidsverzekering en het arbeidsrecht te regionaliseren omwille van hun relevantie voor het arbeidsmarktbeleid sluit hierbij aan. Het maakt deel uit van de overgang van een herverdelende welvaartstaat naar een activerende ‘workfare’ staat, waarin het sociaal beleid ondergeschikt wordt gemaakt aan een economische competitiviteitsbeleid. Tegenover werklozen en andere sociaal zwakkeren wordt steeds sterker ‘activerend’ en bestraffend opgetreden. Het argument van homogene bevoegdheidspakketten snijdt af en toe hout, bijvoorbeeld in de huurwetgeving, maar deze ‘goed bestuur’ kwestie is absoluut niet afdoende om het Vlaams regionaliseringsproject in zijn geheel mee te legitimeren. Op welk schaalniveau wat gereguleerd wordt hangt immers meestal af van bepaalde politieke en ideologische voorkeuren en is dus steeds de uitkomst van een politieke strijd waarin verschillende sociale groepen, die doorgaans niet te vatten zijn in taal- of cultuurgroepen, tegengestelde belangen en wensen hebben. De bovenstaande voorbeelden tonen aan dat ‘regionalisering’ en ‘neoliberalisering’ in Vlaanderen dikwijls hand in hand gaan.
‘Wij, Vlamingen’ en solidaire politieke gemeenschapsvorming
Het is tegen deze achtergrond dat het vraagstuk van de politieke gemeenschap en haar territoriale verankering aangepakt moet worden. De Gravensteengroep schuift ‘territorialiteit’ naar voor als enig sociaal-ruimtelijk principe voor een solidaire gemeenschap. Het voordeel daarvan is dat het, in vergelijking met een louter etnisch-culturele invulling van politieke gemeenschap, iedereen insluit en rechten geeft die zich op een bepaald moment op een bepaald territorium bevindt. Voor ons gaat het echter niet om het definiëren en verwezenlijken van een algemeen belang op een vooraf bepaald territoriaal geheel. Het Vlaams regionalisme gaat volgens ons al te dikwijls onkritisch uit van "wij, Vlamingen". Maar wie zijn die "wij"? Wie voert het hoge woord in die groep? Wie zijn hier de politieke en economische machtshebbers? En willen we ons allemaal wel vereenzelvigen met die Vlaamse politieke en economische elite? "Wij, Vlamingen" duidt op een territoriale groep, drager van een algemeen, gemeenschappelijk belang. Maar zoals achter elk "algemeen belang" schuilen hierachter tegengestelde belangen. De vraag stelt zich dus met wiens belang dé Vlaamse zaak samenvalt? En is het progressief? Brengt het meer rechtvaardigheid mee?
Het gaat er ons dus om de verschillende en/of tegengestelde belangen binnen een politieke gemeenschap te erkennen, hun politieke uitdrukking te structureren en de juiste instellingen te creëren waarbinnen ze met elkaar geconfronteerd kunnen worden, onderhandelingen plaats vinden en compromissen gesloten worden. Het gaat erom de juiste tafel te maken waarrond de diverse geledingen van de samenleving plaats kunnen nemen en met de beste kansen rechtvaardige akkoorden opstellen. Dat soort Vlaamse onderhandelingstafel bestaat niet en er zijn geen plannen om ze in elkaar te timmeren. De Belgische onderhandelingstafel is dankzij de arbeidersbeweging al meer dan 100 jaar oud. En het is natuurlijk een zeer slecht argument om de tafel te vernietigen omdat wederzijdse blokkages en het huidige gebrek aan democratische collectieve wilsvorming vandaag de onderhandelingen blokkeren. Het minste wat men kan verwachten van progressieve Vlaamse manifesten is dat ze concreet aangeven hoe de Vlaamse autonomie, vooral die geleid door een rechtse meerderheid, zal zorgen voor een betere onderhandelingspositie van de linkerzijde en een stevig uitgebouwd sociaal overleg. De Belgische onderhandelingstafel heeft nog andere voordelen. De culturele uitholling van de Belgische staat heeft tenminste dat opgebracht dat er geen plaats meer is voor Belgisch nationalisme en dat die staatsstructuur minder dan de deelstaten een culturele romantiek moet opbouwen en meer dan de deelstaten bezig moet zijn met het overbruggen van ongelijkheden. De verplichting om Vlaanderen voortdurend in te passen in een Belgische en Europese context is misschien een dam tegen een etnocentrische zelfgenoegzaamheid, die uiteindelijk zelfvernietigend dreigt te worden.
Solidariteit moet ook op meerdere schaalniveaus tegelijkertijd verdedigd worden. Deze ‘meerschalige’ strategie is nodig om de uitsluitende effecten van grenzen die noodzakelijkerwijs samenhangen met het territoriaal definiëren van politieke gemeenschappen te compenseren. Niet alleen de Gravensteengroep, maar de hele Vlaamse beweging redeneert defensief vanuit het vrijwaren van het Vlaamse territorium, cultuur- en taalkundig gedefinieerd en voor eens en altijd vastgelegd. Ze gaan volledig voorbij aan de sociale definitie van een territorium, waarin ook overwegingen over socio-economische (klassen)verwantschappen en allianties een rol spelen. En ze miskennen de noodzaak om op verschillende schaalniveaus te strijden voor solidariteit. De stelling dat men vanuit een Vlaamse autonome regio dan wel solidair zal zijn met Wallonië vervangt een interpersoonlijke solidariteit door een onderhandelde solidariteit tussen regeringen, een solidariteit die onvermijdelijk al snel voorwaardelijk en ondergeschikt aan de eigen regionale belangen zal worden. Het is dus nogal vrijblijvend om tegelijkertijd elke mogelijkheid van een Belgische politieke gemeenschap en haar institutionele uitwerking in een Belgische staat verwerpen.
De nadruk op de homogeniserende werking van het territorium verhult dus de interne Vlaamse sociale, politieke, culturele en economische tegenstellingen. De slagzin “wat we zelf doen, doen we beter”, gelardeerd met bestuurstechnische en ‘neutrale’ noties als subsidiariteit en goed bestuur, overheerst. Het decentraliserend effect van de subsidiariteit ondergraaft positieve herverdelingsmechanismen en vormt een structurele voorwaarde om de geografische concurrentie op de betrokken schaal te ontketenen. Goed bestuur is even denkbeeldig als algemeen belang. Iedere bestuurskundige weet bijvoorbeeld dat efficiëntie en rechtvaardigheid in de meeste bestuursproblemen niet samenvallen. Wat is dan de bedoeling van "wat we zelf doen, doen we beter"? De uitkomst van regionale decentralisatie moet een bestuur zijn dichtbij dé mensen, gedragen door een homogene cultuurgemeenschap wiens politieke en economische belangen volledig gelijkvallen. Bij gebrek aan tegenstellingen en conflict wordt politiek in Vlaanderen zo goed als overbodig (vandaar dat er niet aan de tafel getimmerd wordt?).
Ook langs Franstalige kant speelt het louter taalkundig en cultureel definiëren van de politieke gemeenschap een nefaste homogeniserende en depolitiserende rol. De discussie over de uitbreiding van Brussel wordt er gevoerd in functie van de Franstaligen in de rand. Maar dit lost de sociale en economische problemen van Brussel helemaal niet op. Dit gaat niet over de vraag naar een stadsgewestelijke planning. De vraag is immers of deze uitbreiding bedoeld is om de perifere gebruikers van de stad de investeringen in onderwijs, tewerkstelling en huisvesting waar de binnenstad om schreeuwt mee te laten financieren? Of wordt er aangestuurd op het verkopen van de stad aan haar periferie en dus aan de rechterzijde van het politiek spectrum en een voorstedelijke politieke agenda met een nadruk op mobiliteit en veiligheid? De Franstalige politieke elite vindt de Vlaamse politiek elite wel in het negeren van het kosmopolitisch potentieel van Brussel voor België, wat onder meer duidelijk is in de faciliteitenperikelen. Voor ons moet de bi-communautaire politieke structuur van de stad doorbroken worden om te komen tot een kosmopolitische stad.
Conclusie: het heruitvinden van het echte politieke meningsverschil
Ons argument is niet gericht tegen het territorialiteitsprincipe op zich, maar tegen specifieke vormen van territorialisering en politieke gemeenschapsvorming. Globalisering, als het heruittekenen van territoria, is er in zijn neoliberale vorm op gericht territoria zo aan te passen dat de solidariteit tussen arme en rijke gebieden doorbroken wordt, met als gevolg ook een verschroeiende competitie tussen deze regionale territoria. Vlaamse autonomie kan geen surrogaat zijn voor sociale strijd. Op elke schaal zullen we tegenstanders van een progressief project tegenkomen, ook op het Vlaamse niveau. Met dat verschil dat we als autonome Vlaamse regio nog verder meegezogen zullen worden in een geografische competitiespiraal met andere regio’s, die de ruimte voor echt democratische politieke keuzes nog zal verkleinen. Deze interregionale competitie kunnen we enkel vermijden door als progressieven strijd te leveren voor een links maatschappelijk project op alle mogelijke schalen, van de globale over de Europese tot de Vlaamse, de Brusselse en gemeentelijke schaal. En zeker ook aan de sterk uitgebouwde Belgische onderhandelingstafel. Een meerschalige strategie is echter iets helemaal anders dan een simpele politiek in verdiepingen. Dat betekent dat het progressieve project zelf moet worden uitgetekend op verschillende schaalniveaus. Die verschillende niveaus staan niet noodzakelijk in een hiërarchische verhouding en zijn naargelang van thema en bereik verschillend met elkaar verbonden. De samenhang wordt gemaakt door een duidelijke politieke visie en project en door een duidelijke positiebepaling tegenover het dominante neoliberale vertoog. Opnieuw het echte politieke meningsverschil invoeren is de meest prangende uitdaging voor de linkerzijde, die zich via de mal van de staatsstructuren al te zeer heeft vereenzelvigd met het communautair discours. De nieuwe regeringsvorming, die bij gebrek aan ieder maatschappelijk project vooral gedreven wordt door de wens de staatsstructuren te bezetten, toont alvast aan dat het communautaire vertoog er niet in slaagt een echt politiek project voort te brengen.
De Vooruitgroep
Stijn Oosterlynck (KUL), Pascal Debruyne (UGent), Karim Zahidi (UA/UGent), Eric Corijn (VUB), Chris Kesteloot (KUL), Francine Mestrum (ULB), Piet Saey (UGent), Rik Pinxten (UGent), Pascal De Decker (Hogeschool Gent/ St. Lucas), Monika Triest, Eric Goeman (woordvoerder Attac Vlaanderen, voorzitter Democratie 2000), Ronald Commers (UGent), Peter Reynaert (UA), Sami Zemni (UGent), Stefan De Corte (VUB), Jan Teurlings (Universiteit van Amsterdam), Erik Swyngedouw (University of Manchester), Maarten Loopmans (Erasmus Hogeschool Brussel), Jan Dumolyn (UGent), Herman De Ley (UGent)
(1) De idee van eentalige regio’s werd trouwens al vroeg verdedigd door de Waalse beweging, die vreesde
voor een veralgemeende tweetaligheid.
(2) Die ongelijke economische ontwikkeling kan onmogelijk herleid worden tot een tegenstelling tussen economisch homogene gewesten.
(3) Populisme verwijst hier naar het ondergeschikt maken van de belangentegenstelling tussen arbeid en kapitaal aan een gemeenschappelijk project gericht tegen een externe tegenstander zoals de Franstalige Belgische burgerij of de socialistische Waalse arbeidersbeweging.
(4) Regulatie verwijst naar alle institutionele mechanismen (niet alleen juridische) die interveniëren in de sociale conflicten die ingebakken zitten in geavanceerde markteconomieën ten einde de politieke en sociale stabiliteit te garanderen die noodzakelijk is voor economische groei.
(5) Een Schumpeteriaans economisch beleid richt zich op het creëren van de juiste omgevingscondities om bepaalde stedelijke of regionale locaties competitief te maken (vandaar aanbodzijdegericht). Het staat tegenover een Keynesiaans economisch beleid dat economische cycli uitvlakt via het beheren van de macro-economische vraag en het gelijk verspreiden van de economische ontwikkeling over het nationale territorium.
Bijlage: de verkorte tekst van de Vooruitgroep, gepubliceerd in De Standaard van 2 mei '08
| Bijlage | Grootte |
|---|---|
| vooruitgroepkort.doc | 36 KB |
Reacties
Vooruit Vanuit de Regio's
De Vooruitgroep geeft ons in haar conclusie als waarschuwing het volgende mee : "Met dat verschil dat we als autonome Vlaamse regio nog verder meegezogen zullen worden in een geografische competitiespiraal met andere regio’s, die de ruimte voor echt democratische politieke keuzes nog zal verkleinen." Dit angstbeeld lijkt weinig een op historische feiten gebouwde visie te zijn. In Spanje ging democratisering en regionalisering samen. Duitsland kent al sinds lang een positieve regionalistische staatsstructuur van autonome "Länder". In het quasi confederale Duitsland is zelfs de sociale zekerheid regionale materie maar zonder een democratisch deficit. Zwitserland is een ander voorbeeld van een confederaal huishouden waar democratie zeer dicht bij de burger staat. Regionalisering en democratisering gaan dus wel degelijk samen en regionalisering is in Europa zelfs expliciet het resultaat van democratisering.
China is ook een voorbeeld maar dan van een centraal geleide staat die het zeer moeilijk heeft met democratisering en regionalisering. En die meer dan een ander in een "geografische competitiespiraal met andere regio’s" van de wereld is verwikkeld.
Ik zou dan ook graag de Vooruitgroep uitnodigen om dat doemdenken over regionalisering in de context van liberalisering en mondialisering overboord te gooien. En te kiezen voor meer autonomie voor Vlaanderen, voor Wallonië, voor Brussel in een sociaal Europa. Een sociaal Europa dat de fundamenten leggen kan voor een echte sociale zekerheid die niet ten dienste staat van een staatsstructuur vormgegeven door bepaalde klassen ergens begin 19de eeuw. Maar ten dienste van elke mens op deze wereld. Een wereldwijde sociale zekerheid, zoals Gorik Ooms, directeur van Artsen Zonder Grenzen, voor pleit in het mei-nummer van MO-magazine. En die kan vormgegeven worden door democratische structuren die zo dicht mogelijk bij de burgers staan. Wat mij betreft dus vanuit de regio's van Europa en de wereld.
---
15 augustus 1912 :
"Une Belgique faite de l'union de deux peuples indépendants et libres, accordés précisément à cause de cette indépendance réciproque, ne serait-elle pas un Etat infiniment plus robuste qu'une Belgique dont la moitié se croirait opprimée par l'autre moitié?"
( Jules Destrée, Waals socialistisch politicus, in zijn "Lettre au roi sur la séparation de la Wallonie et de la Flandre" )
---
1937 :
Jef van Extergem, Ferdinand Minnaert, René Dillen en Bert Van Hoorick richten in de schoot van de KPB de Vlaamse Kommunistische Partij (VKP) op. De VKP brengt de eisen voor Vlaams zelfbestuur in de schoot van de kommunistische beweging.
---
1973
"Zolang de flaminganten het klassekarakter van de nationale strijd niet zullen inzien en de linkse krachten er de leiding niet willen van nemen, zolang zal de werkelijke nationale bevrijding nog op zich laten wachten, en zal Vlaanderen een levend anachronisme blijven. Vlaamse strijd is klassenstrijd, en omgekeerd."
( uit : Vlaamse strijd socialistisch. Een Marxistische analyse. Manifest van "De Witte Kaproenen")
---
Oktober 2007
"Ik ben namelijk overtuigd dat de onafhankelijkheid van Vlaanderen en Wallonië een goede zaak zou zijn voor beide volkeren, inzonderheid de werkende bevolking."
( Jef Turf - gewezen ondervoorzitter van de Kommunistische Partij van België, gewezen hoofdredacteur van De Rode Vaan, mede-auteur van het Gravensteenmanifest - in een open brief aan het ABVV )
Vooruitgroep en Gravensteengroep
Ik ben blij dat er dan toch een aantal intellectuelen zijn in Vlaanderen die in de pen gekropen zijn om te reageren op de ' zogenaamd linkse' maar eigenlijk 'eerder rechtse' stellingname van de Gravensteengroep. Ik onderschrijf het artikel van de Vooruitgroep ook volledig.
Wat mij vooral stoort aan de stellingname van de Gravensteengroep is dat zij 'solidariteit' en 'regionalisering' op een geforceerde manier willen verenigen, terwijl dit in werkelijkheid tegengestelde principes zijn. Hoe kan je meer solidariteit en een sterkere sociale zekerheid krijgen als je regionaliseert? Vraag het aan eender welke verzekeringsmaatschappij en allen zullen zij zeggen dat je een sterker systeem krijgt als je met meerderen participeert. Regionalisering van de sociale zekerheid (waarvoor de Gravensteengroep in hun eerste brief pleiten) is hoe dan ook pleiten voor meer egoïsme en een minder sterk systeem op lange termijn.
Aleidis Devillé
Doctor in de Sociale Wetenschappen
Lector Katholieke Hogeschool Kempen, departement Sociaal Werk
Devillé gaat te kort door de bocht.
Devillé gaat hier toch wel wat te kort door de bocht als hij zegt "Vraag het aan eender welke verzekeringsmaatschappij en allen zullen zij zeggen dat je een sterker systeem krijgt als je met meerderen participeert. Regionalisering van de sociale zekerheid is hoe dan ook pleiten voor meer egoïsme en een minder sterk systeem op lange termijn."
- Vooreerst is een verzekeringssysteem met meerdere onderschrijvers niet noodzakelijk sterker. Dit veronderstelt een homogeen risiko voor alle polisonderschrijvers. Dit is dus zeker niet het geval voor de Sociale Zekerheid. Het grote probleem is dan men riskeert dat men verlieslatend is op de een groep ten koste van de andere groepen. Dergelijk systeem is ook veel fraudegevoeliger. Als men dan niet corrigerend optreedt, ondermijnt men het hele systeem en wordt het systeem dus zwakker.
- De vergelijking met een verzekering heeft ook zijn limieten. Aan de basis dient de SZ om medemensen te helpen moeilijke periodes te overbruggen, net zoals een verzekering dient om de gevolgen van een zich manifesterend risiko op te vangen. Dit systeem is evenwel synoniem geworden voror een complex kluwen van organisaties en scheeftrekkingen die dikwijls zichzelf tot doel hebben. Zo heeft de RVA 1 miljard werkingskosten op een totaal budget van 9 miljard. De RVA geeft ook uitkeringen aan mensen die "hun arbeidstijd willen aanpassen" (lees: loopbaanonderbreking) en men kan zich afvragen welk risiko hiermee verzekerd werd. Dit zelfde stelsel heeft ook 1,2 miljoen mensen die een uitkering krijgen, waarvan sommigen al sinds drie generaties. Het moge duidelijk zijn. Dit is eerder een SZ die gefaald heeft. Dit is een SZ die hele generaties medeburgers in een permanente staat van Sociale Onzekerheid gebracht heeft.
- Omdat dit systeem gefaald heeft en omdat men halsstarrig weigert het systeem ten gronde te hervormen (vooral dan vanuit linkse hoek), is nu een regionalisering onvermijdelijk geworden. Dit is geen egoïsme maar de plicht van elke medeburger. Tenslotte gaat het hier over gelden die door de medeburgers opgebracht zijn. De solidariteit eist dat hier zorgvuldig mee wordt omgesprongen. Solidariteit begint dan ook in de wijk en niet ergens op een centraal niveau waar men nauwelijks nog vat erop heeft. Wie daarvoor wel pleit, pleit infeite voor het recht ongecontroleerd en onbeperkt in die centrale pot te mogen graaien. Dit is de toestand van vandaag. Regionalisering van de SZ is dan ook niet voldoende, de SZ moet gerationaliseed en gedecentraliseerd worden. Zowel Wallonië, Brussel en Vlaanderen misbruiken die SZ voor andere, veelal electorale doeleinden.
Eric Verhulst,
Voorzitter www.WorkForAll.org
Reactie Reynebeau op Gravensteen II
In zijn wekelijkse kroniek 'Overstekend Wild' in de Standaard van dinsdag 29.04.08 gaat Reynebeau in op het gebrek aan visie waarmee het kabinet Leterme I van start is gegaan, en reageert hij o.a. ook op het tweede Gravensteenmanifest:
... Zopas pakte ook de roemruchte Gravensteengroep uit met een manifest over de solidariteit, zij het dat die het iets omslachtiger verwoordt. Net als haar eerste manifest, vergt het heel wat tekstanalyse en close reading om de draagwijdte van dit geschrift te kunnen vatten, ook al omdat de helft ervan uit een nogal warrig, betwistbaar en soms zelfs tegenstrijdig historisch exposé bestaat. Het staat er dus niet met zoveel woorden in, maar de groep gaat uit van de volledige splitsing van de sociale zekerheid. Ze pleit daar niet eens voor, ze stelt dat als principe, en ze doet dat door zich in haar gebruikelijke slachtofferrol te wentelen: wie daar voor is, zou steevast 'verdacht' worden gemaakt, ocharme. Dat is geen opmerkelijk standpunt voor radicale Vlaamsnationalisten, maar wel voor politiek links, dat met name de sociale zekerheid, als een systeem van onderlinge solidariteit tussen individuen, graag een zo breed mogelijke basis geeft. En dat is hier van belang omdat de Gravensteners hun aanhang inmiddels hebben uitgebreid met een paar emblematische figuren uit de linkerzijde, zoals Willy Courteaux, Karel Gacoms, Jan Van Duppen, Tuur Van Wallendael en Brigitte Raskin. Het probleem zou namelijk zijn dat die solidariteit wordt 'misbruikt' door een gebrek aan politieke solidariteit aan de andere kant - wat dat ook moge betekenen, want het wordt niet uitgelegd. Met als remedie: een 'regionale solidariteit' binnen een deelstaat die, zo is te begrijpen, samenvalt met wat nu het Vlaams gewest is. Versta: Vlaanderen laat Brussel los. Ja, dat krijg je als je links binnenhaalt, dat begrijpt niets van het Vlaamse natiegevoel.