Ontvang de nieuwsbrief op regelmatige basis
Niets dat meer ideologisch is geladen dan arbeid. Van de Marxistische vervreemding door de arbeid tot de syndicale eis op het recht op arbeid, het blijft een uitdaging om het thema te bespreken zonder in dogma’s en clichés te vervallen. Dit is nu weer niet anders met de regionalisatie van de arbeidsmarkt. Autonomisten beschouwen dit als een trofee: een geactualiseerde versie van “Walen buiten” op de arbeidsmarkt. Een grote vis die met veel vendelzwaaien zal worden binnengehaald. In dit dogmatisch debat is het dan ook uiterst moeilijk om plaats te maken voor de rede en een objectieve kosten-baten analyse van de splitsing te maken. Voor wie het dogmatisch denken niet verhindert daartoe open te staan, willen wij toch een poging ondernemen. Het bedrijfsleven wenst immers uit de impasse te geraken waarin dit land is terechtgekomen. Precies daarom moet efficiëntiestreven prevaleren op ideologische starheid en dogmatisch denken. De eerste vraag die zich dan ook opdringt is: waarover hebben wij het?
Wat moet gesplitst worden en waarom?
De arbeidsmarkt omvat heel wat aspecten: ten eerste, en misschien wel het belangrijkste, de opleiding; ten tweede de opvolging van werklozen; ten derde de arbeidsplaatspremies; ten vierde de loononderhandelingen; ten vijfde de vergoeding van werklozen, inclusief de uitsluiting van vergoeding; en ten slotte de arbeidsreglementering - ondermeer inzake uitzendarbeid, veiligheid op het werk, betaald verlof en dergelijke meer. Het zou dan ook nuttig zijn dat men duidelijk specificeert waarover men het heeft als men roept om splitsing.
De opleiding is reeds regionaal, net zoals de opvolging van de werklozen; de arbeidspremies eveneens. Loononderhandelingen zijn federaal, net zoals de vergoeding van werklozen; de reglementering wordt hoofdzakelijk gestuurd vanuit Europa maar wordt federaal ingevuld binnen de uitgetekende marges. Wat dus nog gesplitst kan worden zijn de loononderhandelingen, de werkloosheidsvergoedingen en dito sanctierecht en de implementatie van de arbeidsreglementering.
Wat we regionaal doen, doen we beter?
Het grootste probleem op de arbeidsmarkt is de mismatch tussen vraag en aanbod. Ons land kent een half miljoen werklozen, maar hun opleiding is vaak niet wat de arbeidsmarkt vereist. Na jaren retoriek blijft opleiding de achillespees van de arbeidsmarkt. In Wallonië wordt massaal geïnvesteerd in vorming en opleiding voor jongeren: 0,5 % van het Waalse Bruto Binnenlands product gaat naar opleiding en vorming tegenover 0,3% in Vlaanderen. De fout ligt natuurlijk ook gedeeltelijk bij het onderwijs, dat een Communautaire bevoegdheid is. Als het daar verkeerd loopt, zijn alle vormingsacties een pleister op een houten been. Het onderwijs in de Franstalige Gemeenschap behoort tot het slechtste van Europa. En dat is de echte hypotheek op de toekomst van de regio.
Dan de opvolging. VDAB, Actiris en Forem zijn de drie regionale bemiddelingsinstanties die voor de vorming en opvolging instaan. De drie regio’s beschikken daarvoor over meer dan 10 000 ambtenaren, of één ambtenaar per 50 werklozen. Dit effectief moet ruim voldoende zijn om een intense opvolging van alle werklozen te garanderen. De regionalisatie leidde tot verschillende databases inzake werk en werklozen, wat de interregionale mobiliteit verhinderde. Na 25 jaar autonomie juichen wij de eerste tekenen van intense samenwerking tussen de regionale diensten toe en pleiten we voor nog meer intense samenwerking en een verbetering van de efficiëntie.
Arbeidspremies worden reeds toegekend aan Vlaamse werkgevers die “Vlaamse oudere werklozen” in dienst nemen. Subsidieland Vlaanderen zweert dus nog bij arbeidsplaatspremies waarvan de meeste academische studies hebben aangetoond dat ze weliswaar een effect kunnen hebben op de geviseerde doelgroep, maar dat dit ten koste gaat van de niet-geviseerde doelgroep en dat het netto effect dus nihil is. Met andere woorden een verkwisting van belastingen.
De drie competenties uitgevoerd op regionaal niveau kunnen bezwaarlijk als voorbeeld worden ingeroepen om verdere splitsing van het arbeidsmarktbeleid te legitimeren. Het is niet omdat iets regionaal gebeurt, dat het dan ook efficiënter gebeurt.
Rationale voor verder splitsing
We moeten dan ook op zoek naar een andere rationale voor de splitsing.
Loononderhandelingen, werklozenvergoeding en de implementering van bepaalde regulering zou dus kunnen worden geregionaliseerd. Laat ons de rationale van deze drie even onder de loep nemen.
De loonevolutie moet de evolutie van de productiviteit weerspiegelen. 'De productiviteit ligt in Wallonië echter lager dan in Vlaanderen. Maar door de federale loononderhandelingen evolueren de lonen even snel in Wallonië als in Vlaanderen, waardoor een competitief nadeel ontstaat in Wallonië. En dus kunnen loononderhandelingen niet langer op Belgisch niveau.' Deze redenering is theoretisch juist maar wordt door de feiten weerlegd. Tien jaar geleden lag de productiviteit in de Waalse industrie 11% lager dan in Vlaanderen, en de salarissen lagen er 3% lager. Dit leidde tot een competitief nadeel, uitgedrukt in loonkosten per uur, van 8%. Federale loononderhandelingen hebben niet belet dat dit nadeel afnam. De meest recente accurate cijfers (2004) tonen aan dat de salarissen in de Vlaamse industrie nu 6% hoger liggen dan in Wallonië en de productiviteit er 8% hoger is. Het competitief nadeel van de Waalse industrie bedraagt nu nog slechts 2% (studie cerpe 2008) en zou in 2010 volledig zijn weggeëbd.
Deze algemene analyse verbergt vanzelfsprekend sectorale verschillen. Van de 25 industrietakken, heeft Wallonië er voor acht een competitief voordeel op Vlaanderen. Trouwens, de productiviteit wordt hoofdzakelijk sectoraal (98%) bepaald, en slechts heel beperkt regionaal (2%). Nationale loononderhandelingen regionaliseren heeft dus geen zin, ze op sectoraal niveau brengen is wel economisch zinvol.
Dan is er nog de werklozenvergoeding. Waarom zouden Vlaamse werklozen meer “verdienen” dan Waalse, of omgekeerd. Blijft het sanctierecht. Vlamingen hadden het daarbij vaak, terecht, over de laksheid van de Walen inzake sanctierecht. Maar daar kwam recent, onder meer in het kader van de Europese coördinatiemethode, verandering in. Jaarlijks worden nu heel wat Walen geschrapt; zelfs proportioneel meer dan Vlamingen. In 2007 werden 7458 werklozen geschorst; 4896 werden tijdelijk geschort en verliezen hun uitkeringen gedurende vier maanden en 2562 werden definitief geschorst. De Vlamingen vertegenwoordigden 25%, de Walen 58% en de Brusselaars 17% van de schorsingen. Hun aandeel in het aantal uitkeringsgerechtigde werklozen bedraagt respectievelijk 45 % voor Vlaanderen, 42% voor Wallonië en 13% voor Brussel. Wallonië is duidelijk aan een inhaalbeweging inzake sanctioneren toe. En bovendien is er een akkoord tussen de RVA en de regionale bemiddelingsdiensten qua uitwisseling van gegevens. Dat de bemiddelingsdiensten de werkloze opleiden en motiveren, terwijl een andere instantie sanctioneert lijkt logisch. Men kan moeilijk tegelijkertijd coach en boeman spelen. En de concrete opvolging moet zo lokaal mogelijk gebeuren, dicht bij de werkloze.
Ten slotte is er de arbeidsreglementering. De bedoeling is dat die meer wordt geharmoniseerd op Europees niveau, teneinde vrij verkeer van personen en verdere concrete invullen te geven. Regionaliseren, om nadien opnieuw te harmoniseren, lijkt ons een weinig nuttige aanwending van onze belastingsgelden. Ondernemingen actief in beide landsgedeelten zullen geconfronteerd worden met verschillende reglementeringen, wat extra kosten en extra experten zal veroorzaken. Trouwens een regionale differentiatie gaat tegen de Europese stroom in en zal de mobiliteit tussen werknemers, intra-belgisch, nog bemoeilijken. Nochtans is het in bepaalde subregio’s van Wallonië dat er een reservoir aan arbeidskrachten bestaat dat de schaarste op de Vlaamse arbeidsmarkt gedeeltelijk kan opvangen.
Wat moet er dan wel gebeuren?
Als we nu eens alle energie die we stoppen in het regionalisatiedebat zouden steken in een verbetering van de werking van de arbeidsmarkt. Een arbeidsmarkt waarbij werken meer loont dan niet werken. Veertig procent van de werklozen zijn er financieel beter aan toe om niet te werken, en dan hebben wij het nog niet eens over zwartwerk. Een implementatie van de Europese regeling die voorziet dat meer ouderen aan het werk gaan - een objectief waar notabene Vlaanderen het slechts geplaatst is van de drie regio’s. Niet via arbeidsplaatspremies maar via een reglementering die maakt dat ondernemers niet langer bang zijn om oudere werknemers aan te werven omdat het te duur is om ze te ontslaan, als dat nodig zou blijken. En ten slotte een daling van de lasten op arbeid, in het bijzonder voor de jongeren.
Zou dat niet een andere manier zijn om België te leiden waarbij de kosten van een gesplitste arbeidsmarkt en een regionale reglementering worden vermeden. Dat is precies wat wij, ondergetekende ceo’s, bedoelen met België-anders ( www.belgie-anders.be ). Waar wachten wij op: op een verdere imagoschade?
Rudy Aernoudt is voorzitter België-anders. Adrienne Axler, Geert Degrande, Gabriel Fehervari, Inge Geerdens, Filip Tack, Koen Faes, René Mannekens, Tony Mary, Yves Nelissen Grade, Tanguy Oosterlynck, Hubert Vanhoe zijn 'onafhankelijke ceo's betrokken bij het HR- en arbeidsbeleid'
(Verscheen verkort als opiniestuk in De Standaard, 23.07.08, onder de titel 'Twaalf ondernemers die zich onafhankelijk noemen, stellen het nut van een verdere regionalisering van het arbeidsbeleid ter discussie.')
Een reactie van Fons Leroy (VDAB) in De Standaard van vrijdag 25 juli 2008
Regionaliseer het arbeidsbeleid
Twaalf onafhankelijke ondernemers stellen de behoefte aan een verdere regionalisering van het arbeids(markt)beleid in vraag. Volgens mij is die behoefte er echter wel degelijk.
De deelstaten hebben al een zekere autonomie om in te spelen op hun specifieke sociaal-economische realiteit. In Vlaanderen heeft dit bijvoorbeeld geleid tot een snelle introductie van nieuwe informatie- en communicatietechnologieën in de dienstverlening van de VDAB. De OESO loofde hiervoor de VDAB als moderne overheidsorganisatie. Tevens kreeg de private intermediaire sector hier, in tegenstelling tot de andere gewesten, vanaf 1993 een duidelijke en groeiende plaats in het Vlaamse arbeidsmarktbeleid. Zo ook koos het Vlaams Gewest voor een integratie van de tewerkstelling en opleiding van personen met een handicap in de reguliere dienstverlening van de VDAB. Wallonië en Brussel hebben dan weer acties uitgetekend en maatregelen genomen die beter passen bij hun situatie.
Niettegenstaande deze verschillende aanpak is ook het besef gegroeid dat sommige arbeidsmarktproblemen best gemeenschappelijk worden aangepakt. De Interregionale Banenconferentie van 14 juli, in aanwezigheid van de ministers-presidenten van de deelstaten, heeft het belang daarvan nog maar eens benadrukt. Met de oprichting van gemeenschappelijke teams Forem - VDAB en Actiris - VDAB geven de publieke bemiddelingsdiensten ook duidelijk aan dat zij over de taalgrenzen heen willen samenwerken.
Juist deze aanpak - alleen of gemeenschappelijk naar gelang de behoefte zich stelt - toont de noodzaak aan van méér regionalisering. De deelstatelijke bevoegdheden zijn vandaag immers noch homogeen noch exclusief bepaald en ze kunnen juist daardoor onvoldoende doelmatig worden uitgeoefend, hetzij apart, hetzij gemeenschappelijk. Dat heeft in het verleden al geleid tot talrijke disputen en efficiëntieverlies. Federale maatregelen zoals de PWA's, het begeleidingsplan voor werklozen, de startbanen,… hebben de Vlaamse bevoegdheden doorkruist of uitgehold. Homogenisering kan hier zorgen voor een sterker beleid.
Ik ben het met de twaalf ondernemers eens dat het arbeidsrecht en de sociale zekerheid (en dus ook de werkloosheidsverzekering) beter federaal blijven. Sociale bescherming organiseer je immers best op het hoogst mogelijke niveau en bovendien zou de splitsing van de werkloosheidsverzekering zeer complex en dus duur zijn. Maar bepaalde activeringshefbomen die essentieel zijn voor een bemiddelings- en opleidingsbeleid, zitten verankerd in de werkloosheidsverzekering of het arbeidsrecht. Is het dan niet aangewezen om deze elementen (en enkel deze) af te bakenen en onder te brengen onder het regionaal arbeidsmarktbeleid? Ik denk hierbij aan het bepalen van wat verstaan moet worden onder 'beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt', 'outplacement en herplaatsing van werknemers', of het gebruik van uitzendarbeid als herinschakelingsinstrument.
Dit pleidooi is niet tegenstrijdig met de noodzaak om méér institutionele samenwerkingsakkoorden te sluiten. We hebben immers een gezamenlijk doel: een zo hoog en duurzaam mogelijke werkgelegenheid te garanderen.
Fons Leroy is gedelegeerd bestuurder van de VDAB
Reacties
antwoord op Leroy
Eigenlijk zit Fons Leroy op dezelfde lijn als je de tekst goed leest, maar hij verdedigt natuurlijk meer zijn eigen boetiek. Met één ding ben ik echter totaal niet akkoord. Ik begrijp niet dat Fons Leroy het concept “beschikbaarheid op de arbeidsmarkt” wil regionaliseren. Beschikbaarheid is een Europees concept en wie niet beschikbaar is, heeft geen recht op werkloosheidsvergoeding. Ik zie niet in waarom verschillende criteria zou worden toegepast op de Walen dan op de Vlamingen. Beschikbaarheid mag niet gedefinieerd worden op basis van politieke criteria. Of is het een sluikse manier om de Waalse socialistische vriendjes toe te laten lakser te zijn nu zij qua sanctionering gelijke tred moeten houden met Vlaanderen?