Partijtucht: democratie in België al lang dood

"Parlementaire democratie moet leven van het parlementaire debat en het onafhankelijk oordeel van ongebonden volksvertegenwoordigers. Wie partijtucht oplegt, zondigt tegen een basisprincipe van democratie," schrijft Geert Van Hout. Vanuit dit oogpunt bekenen is de democratie in België al lang dood. De Belgische Kamer kent b.v. één van de hoogste cohesiegraden in West-Europa. De fractiecohesie in de Belgische Kamer ligt tegen de 100%. Fractiecohesie betekent: in hoeverre durft een individueel kamerlid ingaan tegen de instructies van de partij? Met bijna 100% fractiecohesie: NIET dus. Frederik Verleden: "Het volledig ontbreken van parlementaire rebellen fnuikt het ontzag dat van een assemblee moet uitgaan, wil die tenminste nog zijn controlefunctie kunnen uitoefenen." De Belgische kamerleden zijn niets anders dan gedisciplineerde partijmandatarissen. Marc Reynebeau noemt ze zelfs 'partijslaafjes'. Ernstig genoeg dus om daar bij stil te staan.

Walter Zinzen stelde in De Standaard van 19 januari '09 nog maar eens de ziekte van de dubbele kandidatuurstelling aan de kaak: "Ach, respect voor de kiezer. Daar zal ook op 7 juni weer weinig van te merken zijn. Frank Vanhecke (Vlaams Belang) geeft nu al het slechte voorbeeld door op twee lijsten tegelijk op te komen. Velen zullen hem volgen. Ze zullen dan op 8 juni beslissen waar ze naartoe gaan: Europa of het Vlaams parlement. In welke parlementaire democratie, die naam waardig, wordt de kiezer zo soeverein geminacht? Want wie op twee lijsten tegelijk verkozen wordt, moet zich één keer laten vervangen, meestal door een nobele onbekende, altijd door iemand waar de kiezer niets aan te zeggen heeft gehad. Voor een versterking van de kwaliteit - en dus van de onafhankelijkheid - van onze parlementen moet de dubbele kandidaatstelling verboden worden..."

Marc Reynebeau volgde hem in DS van 27 jan '09: "Dezer dagen worden de kandidatenlijsten opgesteld en daarvoor duiken weer allerlei namen op van lui die daar eigenlijk niets te zoeken hebben. Anders gezegd, het kiezersbedrog is weer in aantocht.... De aanstaande pseudo-kandidaten hebben tegenover de kiezer geen enkel palmares in het Vlaams parlement te verdedigen, want daar zetelen ze niet. Toch zullen ze grote beloften doen over het toekomstige Vlaamse beleid, en die vallen al evenmin ernstig te nemen. Want zij willen alleen wat stemmen bijeen graaien omdat ze nu eenmaal 'bekend' zijn en in veel gevallen zullen ze doodleuk verder federaal of Europees politicus blijven.
Dat schaadt de democratische essentie. Het maakt van verkiezingen een populariteitstest. Steracteur, sterartiest, haal uw gsm maar boven. Zo wordt de politiek een rondreizend circus - maar vooral een circus. Telkens als dat zijn tenten opslaat in het dorp, komen de lokale coryfeeën erop af, ze vertonen hun kunstje, ontvangen het applaus en de volgende dag gaan ze verder alsof er niets is gebeurd. Als die in juni verkozen politici dan toch naar het Vlaamse parlement verkassen, bedriegen ze hun federale kiezers van 2007. Doen ze dat niet, dan staan ze hun zitje af aan een nobele onbekende voor wie niemand heeft gestemd. Doorgaans zijn dat trouwe partijslaafjes, want die beseffen goed genoeg aan wie ze hun mandaat te danken hebben: niet aan de kiezer, maar aan de partijbonzen die hen een mooi plekje op de opvolgerslijst hebben gegund..."

Dat het om partijslaafjes gaat, daar kregen we op 23 januari nog een voorbeeld van: op de melding van Marie-Rose Morel dat ze past voor een plaats op de Vlaamse lijst (enkele dagen voor ze op 28.01 aankondigde een ernstige baarmoederkanker te hebben), reageert Gerolf Annemans met: 'Als militant is het haar plicht om op te komen'. Ook het gerommel rond Mia De Vits en Kathleen Van Brempt voor de Europese lijst bij de SP toont dit aan. Gennez trekt heel waarschijnlijk de Antwerpse lijst voor het Vlaams parlement, die met burgemeester Patrick Janssens nog een 'stemmenkanon' heeft. Voor de Antwerpse Van Brempt is er dan daar vermoedelijk geen verkiesbare plaats meer, en moet ze dus terug naar Europa. Daarom moet Mia De Vits (203.000 voorkeurstemmen voor het Europees parlement in 2004) maar naar het Vlaams parlement voor Vlaams-Brabant verhuizen, ook al zag ze dat eerst helemaal niet zitten. Huidig Vlaams parlementslid Else De Wachter krijgt dan de eerste opvolgerplaats op de lijst. Als De Vits Vlaams minister wordt, geraakt ze zo toch nog in het Vlaams parlement. En om het circus hier rond te maken zal Van Brempt ook nog eens de Antwerpse SP-lijst 'duwen'... Als lijsttrekkers (!!) voor het Vlaams parlement doen nu al de namen de ronde (DS 24 januari) van federale ministers (Vincent Van Quickenborne, misschien Karel De Gucht), senatoren (Jean-Jacques De Gucht) en federale kamerleden (Peter van Velthoven, Freya Van den Bossche, maar ook Jean-Marie Dedecker en Bart De Wever). Helaas lijkt dus ook nieuwkomer LDD niet genezen van de ziekte, en zal die duchtig meedoen aan het plaatsen van kandidaten op verschillende lijsten. LDD doet dus volop mee aan het 'rondreizend circus' en het kiezersbedrog.

Geminachte kiezer...
"In welke parlementaire democratie, die naam waardig, wordt de kiezer zo soeverein geminacht?" vraagt Walter Zinzen. Recent gepubliceerd wetenschappelijk onderzoek dat ik hier onder de aandacht wil brengen bevestigt dat de partijhoofdkwartieren de plaatsen bepalen en de pionnen verplaatsen, helemaal niet meer de kiezer. Tot eind van de jaren '60 hadden de lokale leden nog een inbreng en bepaalden ze in een 'poll' (mee) de kandidaten, maar dat gebeurt nu uitsluitend op het hoofdkwartier. Partijen verschuiven steeds meer hun boegbeelden tussen regeringen en parlementen. Niet alleen wordt de kiezer soeverein geminacht, erger voor de democratie is wellicht nog dat men op die manier geen sterke parlementen krijgt, want de vele opvolgers maken het de regering niet moeilijk. Als 'hun' minister door wie ze een plaatsje kregen valt, zijn ze hun mandaat kwijt.

Zelfs de halvering van het gewicht van de lijststem bracht de kiezer niet meer inspraak in wie verkozen wordt. Het geeft zogenaamd de mogelijkheid om, door meer voorkeurstemmen te geven dan aan een hoger op de lijst geplaatste, men toch nog iemand anders kan laten verkiezen dan volgens de volgorde die de partij beslistte. Bram Wauters en Karolien Weekers, in Res Publica: "In de praktijk gaat het meestal om de verkiezing van 'lijstduwers' die eigenlijk alleen maar dienen om stemmen aan te trekken, maar niet zinnens zijn te gaan zetelen waar ze het laatst werden verkozen. In 2007 hebben 7 van de 17 Kamerleden (hun namen aan Vlaamse kant: Kris Peeters, Patrick Janssens, Marijke Dillen, Johan Sauwens, Hilde Claes) en 5 van de 9 senatoren (hun namen aan Vlaamse kant: Frieda Brepoels, Bert Anciaux, Filip Dewinter) die werden verkozen buiten de nuttige volgorde hun mandaat niet opgenomen. Het gaat om respectievelijk 41% voor de Kamer en 55% voor de Senaat." (Het gebruik van de voorkeurstemmen bij de federale parlementsverkiezingen van 10 juni 2007.) (Uitgebreider citaat onder *)

.. leidt tot zwakke parlementen zonder invloed
Frederik Verleden en Christophe Heyneman, in Res Publica (okt-dec '08): "De centralisering van de lijstensamenstelling plaatst de parlementsleden in een zwakkere positie ten opzichte van de partijleiding. Grotere kiesomschrijvingen en het financieringssysteem van politieke partijen hebben de balans sinds de jaren '60 verder in het voordeel van de partij doen overhellen... De electorale sterkhouders worden door alle partijen steevast bij iedere verkiezing ingezet. Parlementsleden worden als het ware als pionnen verschoven, waar het de partijlogica het beste uitkomt... Het bestaan van de opvolgers laat de politieke partijen - die opereren op meerdere bestuursniveaus - toe om een actief 'personeelsbeleid' te voeren. Ze spelen hun electorale boegbeelden telkens opnieuw uit, ongeacht het bestuursniveau, en laten hun mandatarissen zonder zetelverlies naar een andere assemblee verschuiven: de vacante zetel blijft in principe bij dezelfde partij. De wijdverspreide praktijk om als parlementslid naar een ander bestuursniveau over te stappen heeft tot kritische vragen geleid over de democratische representativiteit van het Belgische politieke systeem. Aan het eind van de legislatuur 2003-2007 telt de Kamer 56 leden (één op drie) die via opvolging zetelen.... Zo heeft de grondwetsherziening van 1993 de feitelijke machtspositie van de kamerleden niet versterkt. De parlementaire opvolging van een regeringslid is louter tijdelijk: zodra een kamerlid ontslag neemt uit een regering, moet zijn parlementaire opvolger weer plaatsruimen. Critici noemen de opvolging van ministers een maat voor niets: in plaats van het parlement te versterken tegenover de uitvoerende macht, hebben opvolgers van ministers er helemaal geen baat bij om het de regering moeilijk te maken. De parlementaire opvolging van een minister betekent voor de partijen bovendien een extra te begeven mandaat. Een wet uit 1996 heeft deze regeling nog uitgebreid. Sindsdien krijgt een kamerlid een tijdelijke opvolger, ongeacht het beleidsniveau waarop hij minister wordt. Partijen hebben het met andere woorden gemakkelijker gemaakt om hun boegbeelden te verschuiven over diverse regeringen, net zoals er bij verkiezingen geschoven wordt tussen parlementen. Na de federale en regionale verkiezingen van juni 1999 is een derde van alle ministers eigenlijk verkozen in een parlement van een ander beleidsniveau." ('Parlementaire circulatie in de Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers, 1831-2008') (Zie uitgebreider citaat onder **)

Makke uitvoerders
Dat partijpolitieke geschuif leidt ertoe dat we geen parlementairen meer hebben met uitgesproken meningen, maar makke uitvoerders van de partijrichtlijnen. Dat fnuikt het ontzag dat van een assemblee moet uitgaan, wil die tenminste nog zijn controlefunctie kunnen uitoefenen.

Frederik Verleden in SAMPOL: "Politieke waarnemers en politicologen delen de opvatting dat het Belgische parlement door te volgzame verkozenen geen vuist meer kan maken tegen de uitvoerende macht en de dominantie van de politieke partijen... In een parlementair systeem is het nu eenmaal de norm dat de regering kan rekenen op zijn meerderheid. Voor veel waarnemers uit journalistieke of academische hoek heeft de volgzaamheid van de parlementsleden echter te grote vormen aangenomen. Het zijn niet de fracties die de politieke lijnen uitzetten. Politieke macht ligt bij regering en partijvoorzitters. Dit tast uiteraard het prestige van het parlement aan... Tussen 2003 en 2007 is er bij 10% van de stemmingen één dissidente stem ('de dissidentie in de breedte'), zonder de onthouding als dissidentie mee te rekenen. Ter vergelijking: in de periode 1991-1995 is dat nog 15%, dan al laag in vergelijking met het buitenland. Kijken we naar de dissidentie 'in de diepte' (het aantal dissidenten per stemming), dan zijn omvangrijke dissidenties onbestaande. Op de 183 volksvertegenwoordigers die tussen 2003 en 2007 zetelen, zijn er 86 die geen enkele dissidente stem laten noteren.... De grote voorspelbaarheid van het parlementaire debat leidt tot een toenemende onverschilligheid bij pers en politieke actoren over de betekenis van het parlementaire werk. Op hoeveel persaandacht kan de Kamer nog rekenen? Tenzij misschien om verslag te doen hoeveel het allemaal wel niet kost. Fractiecohesie is op zich niet problematisch; het is zelfs onontbeerlijk voor een vlotte parlementaire werking. Maar het volledig ontbreken van (mogelijke) parlementaire rebellen fnuikt het ontzag dat van een assemblee moet uitgaan, wil die tenminste nog zijn controlefunctie kunnen uitoefenen..." ('Waar zijn de parlementaire rebellen gebleven?') (Zie uitgebreider citaat onder ***)

Waarvoor betalen we dat allemaal?
Om de 150 kamerleden te 'ondersteunen' heeft de Kamer een zeshonderdvijftig man/vrouw in dienst. Daarnaast krijgen de kamerleden ook verschillende soorten medewerkers ter beschikking, betaald door de begroting van de Kamer.
Het betreft :
- de secretarissen van de politieke fracties (één per erkende fractie);
- de universitaire medewerkers (1,05 per lid van de fractie);
- de secretarissen van de fractievoorzitters, de ondervoorzitters, de quaestoren en de voorzitters van de vaste commissies (één per functie)
- de medewerkers van de Kamervoorzitter;
- de administratieve medewerkers van de Kamerleden (één per lid).
In het totaal dus een duizendtal personen, alleen al in de Kamer.
De Standaard van 13.10.08 publiceerde cijfers die betrekking hebben op de begroting van 2008. De Kamer kost 129,4 miljoen euro, en de Senaat 76,7 miljoen, of in totaal 206,1 miljoen euro (8,3 miljard BEF). Wel erg duur voor een stemmachine..
Zie ook "Belgisch parlement: 206 miljoen euro per jaar in een sterfput"

Hoe de democratie herstellen?
Het hele systeem van dubbele kandidaten dat leidt tot een zwak parlement ondergraaft grondig de democratie. Op korte termijn is daar een beperkte oplossing voor mogelijk door de oproep van Walter Zinzen te volgen: "stem op 7 juni op de partij van uw voorkeur, maar geef uw voorkeurstem niet aan mensen die op twee lijsten tegelijk staan of al een mandaat hebben in Kamer of Senaat. Laten we als kiezer onszelf respecteren. De politici zullen snel volgen." Maar dat zal niet volstaan om sterkere parlementen te krijgen, die echt als vertegenwoordigers van het volk optreden, en de democratie in ere te herstellen. In een uitgebreid artikel gaat Geert Van Hout in op de partijtucht, die hij een zonde tegen de basisprincipes van de democratie noemt. Zijn vraag "Zou er ook maar iets aan de resultaten van parlementaire stemmingen veranderen als vanaf heden elke partijvoorzitter met één druk op de knop alle stemmen van zijn of haar partij mocht toewijzen?" wordt met bovenstaand onderzoek volmondig bevestigd. Verder schrijft hij "Wie partijtucht oplegt of aanvaardt, zondigt dus tegen een basisprincipe van democratie. De verkozen politici van zowat alle partijen in zowat alle westerse 'democratieën' overtreden dan ook systematisch de regels van de democratie. Maar dat is niet alles: in crisistijden kan fractiediscipline de democratie zelfs de fatale nekslag toedienen. De geschiedenis van de Weimarrepubliek leert dat dit geen loze kreet is." Hij stelt ook een aantal hervormingen voor om het sluipend gif van de partijtucht tegen te werken.
Zijn volledig artikel 'Partijtucht: sluipend gif voor de democratie'

En dat het ook anders kan, bewijst het Britse parlement. Frederik Verleden citeert de afsluiter van de Britse premier Blair bij zijn laatste question time in het Lagerhuis: 'I can pay the House the greatest compliment I can by saying that from the first to last, I never stopped fearing it. ... And it is in that fear that the respect is contained'. (Ik kan het Huis het grootste compliment geven dat ik maar kan door te zeggen dat ik van het begin tot het einde niet opgehouden heb het te vrezen... En het is in die vrees dat het respect vervat zit).

Ruimere uittreksels waarin de gebruikte citaten komen, onder (*) (**) en (***), staan hieronder



(*) Het gebruik van de voorkeurstemmen bij de federale parlementsverkiezingen van 10 juni 2007.
Verkozenen buiten de nuttige lijstvolgorde
Tot voor kort was de volgorde waarin de kandidaten op de lijst werden gepresenteerd van doorslaggevend belang. Van 1919 tot 1999 slaagde maar 30 van de 5019 Kamerleden (0,6%) erin om buiten de nuttige volgorde verkozen te raken. Door de halvering van de voorraad lijststemmen en de vergroting van de kieskringen is dit evenwel veranderd....
In totaal zijn er in 2007 17 Kamerleden en 9 senatoren buiten de nuttige volgorde verkozen. In 2003 waren dit resp. 17 Kamerleden en 5 senatoren. Dit zijn er heel wat meer dan voor de kieswethervorming van 2002 toen bijna niemand buiten nuttige volgorde verkozen werd. Het grote aantal verkozenen buiten de nuttige volgorde heeft vanzelfsprekend te maken met de halvering van het gewicht van de lijststemmen. Daardoor is de voorraad lijststemmen waaruit kandidaten in volgorde van hun plaats op de lijst kunnen putten, sneller opgebruikt...
Het was de bedoeling om door de halvering van het gewicht van de lijststem de kiezer meer inspraak te geven in wie verkozen wordt. Op het eerste gezicht lijkt dat gelukt, maar bij nader inzien moet dit toch sterk gerelativeerd worden. Immers 7 van de 17 Kamerleden en 5 van de 9 senatoren die werden verkozen buiten de nuttige volgorde hebben hun mandaat niet opgenomen. Het gaat om respectievelijk 41% voor de Kamer en 55% voor de Senaat. In 2003 deed dit fenomeen zich ook voor, maar bleef dit beperkt tot één derde van de verkozenen buiten de nuttige volgorde. Deze personen verkozen hun lopende mandaten van regionaal minister of regionaal of Europees parlementslid. Zij werden opgevolgd door opvolgers, bij wie de nuttige volgorde ook weer speelde. De vaststelling dat de kiezer meer inspraak kan hebben, moet derhalve dan ook op zijn minst genuanceerd worden.
Het gebruik van de voorkeurstemmen bij de federale parlementsverkiezingen van 10 juni 2007.
Bram Wauters (doctor-assistent aan de Hogeschool Gent) en Karolien Weekers (Wetenschappelijk medewerker aan het Centrum voor Politicologie, KULeuven) in Res Publica, volume 50, 2008/2 (extra nummer, politiek jaarboek 2007)


(**) Parlementaire circulatie in de Belgische Kamer van volksvertegenwoordigers, 1831-2008
... De centralisering van de lijstensamenstelling plaatst de parlementsleden in een zwakkere positie ten opzichte van de partijleiding. Grotere kiesomschrijvingen en het financieringssysteem van politieke partijen hebben de balans sinds de jaren '60 verder in het voordeel van de partij doen overhellen. Het aantal kiesomschrijvingen voor de Kamer bedraagt voor de grondwetswijziging van 1993 nog 30, tien jaar later resten er nog elf. Door grotere kiesomschrijvingen kunnen partijen hun electorale boegbeelden ruimer inzetten. De keerzijde is dat een lokale machtsbasis aan belang inboet, zowel bij de lijstvorming als bij de kans om verkozen te worden. Bovendien ontvangen politieke partijen sinds 1970 overheidssteun, die een steeds groter aandeel van de partijinkomsten is gaan uitmaken. Die financiële middelen (fractietoelagen sinds 1970, partijdotaties sinds 1989) worden niet uitgekeerd aan de individuele parlementsleden, maar aan de centrale partijstructuur overgemaakt. Ook hier heeft de partij dus de troeven in handen....
Een andere vaststelling is dat, hoewel het regionale beleidsniveau sinds 1995 uit de Kamer verdwenen is, er zich geen duidelijk afgetekend onderscheid tussen federale en regionale parlementaire elite ontwikkeld heeft. Het feit dat verkiezingen voor het federale en regionale niveau sinds 2003 niet meer samenvallen heeft daar weinig aan veranderd, eerder integendeel. De institutionele federalisering - met een rechtstreekse verkozen Vlaams en Waals parlement naast het federale parlement - staat eigenlijk haaks op de confederale structuur van het 'Belgische' partijlandschap. Alle nationale partijen zijn in de loop van de '60 en 70 uiteengevallen in regionale (Vlaamse en Franstalige) 'zusterpartijen'. Aan alle verkiezingen - ongeacht het bestuursniveau - nemen dezelfde, regionale partijen deel. Belgische partijstructuren zijn er niet. De electorale sterkhouders worden door alle partijen steevast bij iedere verkiezing ingezet. Parlementsleden worden als het ware als pionnen verschoven, waar het de partijlogica het beste uitkomt. De Kamer is door de grondwetswijziging uit 1993 niet de centrale politieke assemblee van het federale België geworden. Het federale parlement is nog slechts een schakel in een groter geheel, naast het regionale en Europese niveau, waarbij de partijen als politiek bindmiddel fungeren.....
De toename van de tussentijdse circulatie is grotendeels te wijten aan level-hopping. Vanaf 1979 vertrekken bij de vijfjaarlijkse Europese verkiezingen telkens een aantal kamerleden naar dat supranationale niveau. De legislatuur 2003-2007 spant qua circulatie de kroon. De verkiezingen brengen meer dan 50 nieuwkomers naar de Kamer (op 150 kamerleden). Maar tot de volgende federale verkiezingen komen nog eens zoveel nieuwkomers via opvolging voor korte of langere tijd in de Kamer. De buitensporig hoge circulatie tijdens deze legislatuur is het gevolg van de eerste regionale verkiezingen (juni 2004) die niet samenvallen met de federale. Veel zetelende federale kamerleden worden door de partijen ingezet op regionale lijsten en verkozen. De hoge tussentijdse circulatie na de verkiezingen van 1995 en 1999 komt er door de opvolging voor parlementsleden die regeringslid worden.
Aan de basis van de hoge tussentijdse vernieuwing liggen weliswaar institutionele factoren: de federalisering van het Belgische parlementaire kader en de parlementaire opvolging van regeringsleden. Maar het is de manier waarop partijen met deze hervormingen zijn omgegaan die het parlementaire circulatiepatroon verklaren. Het bestaan van de opvolgers laat de politieke partijen - die opereren op meerdere bestuursniveaus - toe om een actief 'personeelsbeleid' te voeren. Ze spelen hun electorale boegbeelden telkens opnieuw uit, ongeacht het bestuursniveau, en laten hun mandatarissen zonder zetelverlies naar een andere assemblee verschuiven: de vacante zetel blijft in principe bij dezelfde partij. De wijdverspreide praktijk om als parlementslid naar een ander bestuursniveau over te stappen heeft tot kritische vragen geleid over de democratische representativiteit van het Belgische politieke systeem. Aan het eind van de legislatuur 2003-2007 telt de Kamer 56 leden (één op drie) die via opvolging zetelen. Net als bij de eigenlijke kandidatenlijst bepaalt de rangschikking op de opvolgerslijst wie in aanmerking komt om een vacant mandaat op te nemen. De invloed van de lijstsamenstellers is bij de opvolgers nog groter, omdat de kiezers er veel minder gebruikmaken van voorkeurstemmen om deze rangschikking te wijzigen dan bij de eigenlijke kandidaten (Wauters, 2003, pp. 404-406). De vele mandaten via opvolging werd daarom verweten een 'oneigenlijke coöptatie' door de politieke partijen te zijn (Rimanque, 1999, p. 118).
De wetgever die de opvolgers in 1899 invoerde kon deze praktijk uiteraard niet vermoeden. De politieke praktijk genereert soms onbedoelde gevolgen bij institutionele veranderingen. Zo heeft de grondwetsherziening van 1993 de feitelijke machtspositie van de kamerleden niet versterkt. De parlementaire opvolging van een regeringslid is louter tijdelijk: zodra een kamerlid ontslag neemt uit een regering, moet zijn parlementaire opvolger weer plaatsruimen. Critici noemen de opvolging van ministers een maat voor niets: in plaats van het parlement te versterken tegenover de uitvoerende macht, hebben opvolgers van ministers er helemaal geen baat bij om het de regering moeilijk te maken. De parlementaire opvolging van een minister betekent voor de partijen bovendien een extra te begeven mandaat. Een wet uit 1996 heeft deze regeling nog uitgebreid. Sindsdien krijgt een kamerlid een tijdelijke opvolger, ongeacht het beleidsniveau waarop hij minister wordt (Alen & Muylle, 2004, pp. 314 & 326). Partijen hebben het met andere woorden gemakkelijker gemaakt om hun boegbeelden te verschuiven over diverse regeringen, net zoals er bij verkiezingen geschoven wordt tussen parlementen. Na de federale en regionale verkiezingen van juni 1999 is een derde van alle ministers eigenlijk verkozen in een parlement van een ander beleidsniveau (Fiers, 2001).

Frederik Verleden (Assistent aan het Centrum voor Politicologie, KULeuven) en Christophe Heyneman (lic. Pol. Wet. KULeuven, momenteel attché in het Brussels Hoofdstedelijk Parlement) in Res Publica, volume 50, 2008/4 (okt-dec '08)



(***) 'Waar zijn de parlementaire rebellen gebleven?'
Frederik Verleden, assistent aan het Centrum voor Politicologie, KULeuven, onderzocht de cohesie van de fracties in de Kamer voor de legislatuur 2003-2007, en vergeleek die met de resultaten van een eerder onderzoek over de periode 1991-1995. Het volledig artikel publiceerde hij in het januarinummer 2009 van SAMPOL, Samenleving en politiek, onder de titel 'Waar zijn de parlementaire rebellen gebleven?'.

"Politieke waarnemers en politicologen delen de opvatting dat het Belgische parlement door te volgzame verkozenen geen vuist meer kan maken tegen de uitvoerende macht en de dominantie van de politieke partijen," schrijft hij in de inleiding. In zijn artikel schets hij aan de hand van de 1.823 naamstemmingen uit de legislatuur 2003-2007 een beeld van wisselmeerderheden en parlementaire dissidenties in de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers. Met andere woorden: hoe vaak stemmen de meerderheidsfracties verdeeld of laten individuele kamerleden een andere stem optekenen dan het partijstandpunt? En dat blijkt nagenoeg onbestaande.

In een parlementair systeem is het nu eenmaal de norm dat de regering kan rekenen op zijn meerderheid. Voor veel waarnemers uit journalistieke of academische hoek heeft de volgzaamheid van de parlementsleden echter te grote vormen aangenomen. Het zijn niet de fracties die de politieke lijnen uitzetten. Politieke macht ligt bij regering en partijvoorzitters. Dit tast uiteraard het prestige van het parlement aan...

Parlementaire dissidentie is een openlijke en dus meetbare uiting van politiek ongenoegen, vandaar de aandacht die dit thema in de politicologie geniet. De mate van (opgelegde) eensgezindheid in een parlement leert bovendien veel over het feitelijke functioneren van een parlementaire democratie. Sam Depauw heeft met zijn boek 'Rebellen in het parlement' (2002) baanbrekend onderzoek verricht naar de fractiecohesie in de Belgische Kamer, dit voor de legislatuur 1991-1995. Hij komt in zijn werk tot de conclusie dat België dan één van de hoogste cohesiegraden in West-Europa kent. Sindsdien is in en rond de Wetstraat weliswaar veel veranderd....

Leidt die mogelijkheid om op eigen kracht verkozen te worden (dankzij de halvering van het gewicht van de lijststem) ook tot meer zichtbare weerspannigheid in het parlement? De Kamer heeft nu een rechtstreeks verkozen Vlaams en Waals parlement naast zich. Samen met de opvolging van de ministers - beide nog onbestaande in 1991-1995 - betekent dat in de legislatuur 2003-2007 een ongeziene stoelendans onder de kamerleden. Heel wat zetelende politici kandideren in juni 2004 bij de regionale verkiezingen en verlaten het halfrond. In 2007 dankt één op drie van de uittredende kamerleden zijn mandaat aan een opvolging. Hoewel het verdwijnen van ministers uit het parlement in 1992 - bij de onderhandelingen van het Sint-Michielsakkoord - nog gezien wordt als een versterking van het parlement, zijn de kritieken ondertussen legio. 'Slippendragers van de regering en partijen', dixit toenmalig kamervoorzitter De Croo in juni 2004. De vele opvolgers worden nu steevast opgevoerd in de langer wordende rij argumenten om de zwakheid van het Belgische parlement te verklaren...

In hoeverre durven de individuele kamerleden ingaan tegen de partijlijn? Een internationaal gebruikt instrument om de fractiecohesie te meten is de zogenaamde Rice-index. Deze index meet het aandeel van de niet-dissidenten over het totale aantal stemmers. Onthoudingen tellen daarbij als een halve dissidentie, wanneer het meerderheidsstandpunt 'ja' of 'nee' is. Het meerderheidsstandpunt kan ook de onthouding zijn, in dat geval is een 'ja' of'nee' een dissidente stem. Perfecte cohesie levert een waarde op van 100%, terwijl een 50/50 verdeelde fractie een cohesiewaarde van 50% zal geven. 50% is dan ook de feitelijke ondergrens. De Rice-index - berekend over alle stemmingen van de legislatuur 2003-2007 - levert volgend resultaat op.

sp.a: 99,95; PS: 99,86; MR: 99,82; Ecolo: 99,80; VLD: 99,70; sp.a-spirit: 99,57; VB: 99,53; Totaal'paars': 99,30; CD&V: 97,85; cdH: 97,33

Al deze kamerfracties zijn toonbeelden van haast perfecte cohesie. Deze cijfers komen trouwens overeen met de eerdere bevindingen uit het werk van Sam Depauw. Ook in de legislatuur 1991-1995 is de fractiecohesie in de Belgische Kamer tegen de 100% te situeren. In internationaal perspectief is dat volgens de cijfers van Depauw erg hoog. Belgische kamerleden zijn met andere woorden gedisciplineerde partijmandatarissen. In feite vormen de cijfers nog een onderschatting van de cohesie. Het komt namelijk frequent voor dat een onthouding niet wordt ingegeven door onenigheid met het partijstandpunt, maar door een stemafspraak. Dankzij de onthouding van een aanwezig kamerlid verzekert een afwezig parlementslid zich ervan dat zijn absenteisme geen gevolgen heeft voor de uitkomst van een stemming. Bovendien zijn sommige 'dissidente' stemmen het gevolg van vergissingen. Een kamerlid kan dit in het verslag laten opnemen.

Tussen 2003 en 2007 is er bij 10% van de stemmingen één dissidente stem ('de dissidentie in de breedte'), zonder de onthouding als dissidentie mee te rekenen. Ter vergelijking: in de periode 1991-1995 is dat nog 15%, dan al laag in vergelijking met het buitenland. Kijken we naar de dissidentie 'in de diepte' (het aantal dissidenten per stemming), dan zijn omvangrijke dissidenties onbestaande. Op de 183 volksvertegenwoordigers die tussen 2003 en 2007 zetelen (de eenmansfracties van FN en N-VA worden buiten beschouwing gelaten), zijn er 86 die geen enkele dissidente stem laten noteren. Onthoudingen als dissidentie meegerekend, zijn er dat nog 41. De 183 kamerleden stemmen gemiddeld slechts 1,9 maal dissident. Dit wordt 12,6 maal met de onthoudingen erbij. In 1991-1995 is dat nog 3,47 respectievelijk 6,89 maal (onthoudingen door stemafspraken worden dan niet opgenomen).

Het beeld dat op basis van deze cijfers wordt geschetst moet met enige omzichtigheid gebruikt worden. Onthoudingen door stemafspraken zijn geen dissidenties. De fractie kan bovendien afspreken dat enkele van haar leden zich onthouden, als 'signaal'. De N-VA'ers hebben dit alvast toegepast bij het aantreden van de regering Leterme in maart 2008. Of om maar dit aan te halen: het gros van de 'dissidenties' blijft onzichtbaar, omdat kamerleden bij een omstreden stemming kunnen verkiezen het halfrond of de commissiezaal tijdelijk te verlaten. Eén voorbeeld: er is de 'tactische' afwezigheid van Spiritist Geert Lambert bij het referendum over de Europese grondwet, een tijdelijke afwezigheid die met het nodige cynisme door de media wordt opgepikt. Afwezigheden zijn per definitie moeilijk te interpreteren, en zeker achteraf door een politicoloog of historicus. Het zegt natuurlijk wel iets dat volksvertegenwoordigers hun afwijkende mening niet meer expliciet (durven?) ventileren...

Er moet voorzichtig omgesprongen worden met het cijfermateriaal, maar dankzij het eerdere onderzoek is een historische vergelijking wel mogelijk. Ondanks alle retoriek over nieuwe politieke cultuur en herwaardering van het parlement, illustreert de cohesie-index dat er qua discipline weinig veranderd is sinds 1995. Wel integendeel, de perfecte cohesie lijkt nog dichter in de buurt te komen.

De grote voorspelbaarheid van het parlementaire debat leidt tot een toenemende onverschilligheid bij pers en politieke actoren over de betekenis van het parlementaire werk. Op hoeveel persaandacht kan de Kamer nog rekenen? Tenzij misschien om verslag te doen hoeveel het allemaal wel niet kost. Fractiecohesie is op zich niet problematisch; het is zelfs onontbeerlijk voor een vlotte parlementaire werking. Maar het volledig ontbreken van (mogelijke) parlementaire rebellen fnuikt het ontzag dat van een assemblee moet uitgaan, wil die tenminste nog zijn controlefunctie kunnen uitoefenen. Niemand verwacht nog dat regeringen in het parlement vallen, maar de verkozenen van het volk moeten toch in staat blijven de uitvoerende macht ter verantwoording te roepen. Als afsluiter bij zijn laatste question time zei de Britse premier Blair over het Lagerhuis: 'I can pay the House the greatest compliment I can by saying that from the first to last, I never stopped fearing it. ... And it is in that fear that the respect is contained'. Benieuwd of er nog een Belgische premier komt die er ook zo over denkt.

Frederik Verleden is Assistent aan het Centrum voor Politicologie, KULeuven

Reacties

subtielste vorm van dictatuur

Een reactie van Tom Vandendriessche op de metablog In Flanders Fields, die we hier graag overnemen

Ik heb in 2007 een korte studie gemaakt betreffende de invloed van partijen op WIE verkozen wordt. De partijmacht dus. Dat is nog maar een eerste fase in een bredere analyse over onze democratie, het is dan ook treffend dat we al bij deze eerste stap tot de vaststelling komen dat de invloed van de burger op de samenstelling van het parlement bijzonder klein is.

De oplossingen die in de bijdrage hierboven aangegeven worden passen in een breder kader, maar zijn niet specifiek om de partijmacht in te perken wat betreft de samenstelling van de parlementen.

Deze zijn dat wel:

1) onverkiesbaarheid voor zetelende leden van de Vlaamse uitvoerende of wetgevende macht om zich verkiesbaar te stellen voor de federale uitvoerende of wetgevende macht en vice versa

2) Zo een zetelend lid van de uitvoerende of wetgevende macht ontslag neemt, is deze onverkiesbaar tot het einde van de legislatuur van het parlement waaruit hij ontslag nam.

3) Afschaffing van de opvolgerslijst

4) Afschaffing van de ongelijke verdeling van de lijststemmen. De kandidaten met de meeste voorkeurstemmen worden steeds verkozen of volgen desgevallend op.

5) Rechtstreekse verkiezing van gemeenschapssenatoren bij gewestverkiezingen

6) Afschaffing van de gecoöpteerde senatoren en senatoren van rechtswege

7) Volksinitiatief: op vraag van 100.000 burgers wordt een bindend referendum uitgeschreven

8) Vervanging van provinciale kieskringen en de 5%-kiesdrempel door één Vlaamse kieskring waarbij een absolute proportionaliteit geldt. Het kiescijfer wordt berekend door aantal stemgerechtigden te delen door het aantal zetels.

9) Invoeren van meervoudig stemrecht voor gezinshoofden als het kiescijfer verder berekend wordt op basis van bevolkingscijfer en niet op basis van het aantal stemgerechtigden.

10) Vertegenwoordiging van alle blanco, ongeldige en niet-uitgebrachte stemmen in het parlement. Deze (lege) zetels tellen mee voor het quorum en bij elke stemming wordt een onthouding per zetel genoteerd.

het volledige artikel:

Vandendriessche, T., Belgische democratie subtielste vorm van dictatuur, Zomernummer 2007, Ons Verbond, pp 4-9 Ga eerst naar hier... (overzicht nummers 'Ons Verbond')   en daar klikken op Zomernummer 2007