BHV-stemming stelt consensus in vraag

 Met de stemming van de splitsing van BHV komt een fundamentele bouwsteen van de Belgische constructie los te zitten, namelijk dat een beslissing die raakt aan het samenleven van de gemeenschappen in dit land via een consensus genomen wordt. De laatste tijd wordt dat systeem door sommige Vlaamse politici en opiniemakers - impliciet of expliciet - in vraag gesteld . Zo hoor je wel eens dat het Belgische systeem ondemocratisch is, omdat de Vlaamse meerderheid haar wil niet kan doordrijven. Dit getuigt van een eenzijdige visie die democratie gelijk stelt aan de wil van de meerderheid. Zo werkt het inderdaad grosso modo in bepaalde democratieën, zoals Groot-Brittannië of Frankrijk, die dan ook meerderheidsdemocratieën worden genoemd. Er bestaan echter ook zogenaamde consensusdemocratieën, waar men (belangrijke) beslissingen niet laat steunen op een meerderheid van politieke vertegenwoordigers (dikwijls tegen een minderheid in), maar op een zo groot mogelijk aantal. Dat systeem is niet ondemocratisch, maar anders democratisch. Je zou het zelfs méér democratisch kunnen noemen omdat (vertegenwoordigers van) een groter deel van de bevolking bij beslissingen betrokken wordt.

Zo'n systeem is ook niet typisch voor België. Het bestaat ook in Oostenrijk of in Zwitserland, waar al bijna een halve eeuw de vier grote partijen in de regering zitten. En in België heeft het niet enkel betrekking op het communautaire terrein, maar ook op het socio-economische (sociaal overlegmodel) en het levensbeschouwelijke (schoolpact). Dat verschil tussen deze twee types democratieën, een klassieker in de politiekwetenschappelijke literatuur, wordt aan onze studenten al in eerste bachelor aangeleerd.

Toch lijken niet alle politici in België ervan op de hoogte. De uitspraak dat het enkel vijf minuten politieke moed kost om BHV te splitsen, in 2004 voor het eerst gelanceerd door een toenmalig christendemocratisch oppositieleider, is in essentie een ontkenning van het wezen van ons systeem. Eén van de manieren waarop de verplichting tot consensus in België tot uiting komt, is immers via de zogenaamde alarmbelprocedure, die het mogelijk maakt voor drievierde van de leden van een taalgroep in het parlement om de bespreking van een wetsvoorstel op te schorten. Het dossier komt dan terecht bij de federale regering, die zich erover moet uitspreken.

In 2005 zou dat tot de val van de regering geleid hebben en tot nieuwe verkiezingen zonder splitsing. In de huidige context is het onduidelijker. Grondwetspecialisten zijn het oneens over de vraag of de huidige regering van lopende zaken bevoegd is.

De kans lijkt groot dat het uiteindelijk terechtkomt op de tafel van een volgende regering en dus op die van de federale regeringsonderhandelaars, waar het nu ook al ligt. Terug naar af, noemt men dat. Een stemming van de splitsing leidt dus alleszins tot chaos, wellicht tot verdere polarisatie en blokkering, maar allicht niet tot een splitsing.

Het niet-beslissen tegen de Franstalige minderheid in is dus geen kwestie van goodwill van de Vlamingen, het is simpelweg het institutionele kader waarin de Vlaamse politici moeten werken (in het Brussels gewest moeten Franstalige politici werken in een gelijkaardig kader, dat de Nederlandstalige minderheid beschermt). Dat kader is er omdat het in 1970 met een tweederde meerderheid is goedgekeurd. Als de geloofwaardigheid van de politiek op het spel staat, is dat niet omdat BHV vandaag al dan niet gesplitst raakt, maar omdat sommigen de publieke opinie al drie jaar wijsmaken dat dit met een simpele meerderheidsstemming kan. De toenmalige oppositieleider krijgt de vijf minuten politieke moed deze dagen als een boemerang terug.

Is het dan niet toegestaan om dat systeem van consensusdemocratie in vraag te stellen? Tuurlijk wel. Anders zou België werkelijk geen democratie zijn. Maar heb dan de eerlijkheid om erbij te vertellen dat dit de achterliggende bedoeling is. En zeg er dan vooral ook bij - o, ironie - dat je daarvoor een consensus nodig hebt.