Harvard of de Dijle: quo vadis, KU Leuven ?

Eerstdaags (*) wordt aan de KUL een nieuwe rector verkozen. De voorganger van de huidige roemde ooit zijn universiteit als potentieel Harvard aan de Dijle en moest hiervoor hoongelach en verbale kastijding doorstaan. Zoiets opper je toch niet, aldus de goegemeente, want het onderscheid tussen Leuven en het ongenaakbare Harvard is nu eenmaal té groot. Dan kun je evengoed Vlaanderen met Massachusetts vergelijken, de Amerikaanse staat waar Harvard en M.I.T. zich bevinden.

Meteen een interessante invalshoek. Massachusetts en Vlaanderen hebben omzeggens evenveel inwoners, een dikke zes miljoen, terwijl Harvard en Leuven ongeveer evenveel studenten huisvesten, zo’n kleine 30.000.

Doch daar eindigt wat deze universiteiten betreft de gelijkenis. Harvard telt meer dan veertig Nobelprijswinnaars, Leuven geen enkele. Harvard geniet een financiële rijkdom waarvan Leuven enkel kan dromen, en beschikt over een netwerk dat die rijkdom (en macht) exponentieel doet groeien. Harvard beschikt daarenboven over een stringente studentenselectie, die verzekert dat naast de beste onderzoekers en docenten ook de beste studenten voorhanden zijn.

En dat is misschien wel de belangrijkste handicap voor een universiteit als Leuven. De democratisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen is een nobele zaak, nobeler zelfs dan het vergaren van Nobel-onderzoekers. De schier onbelemmerde toegang tot dit onderwijs voor eenieder die het ambieert, heeft ertoe geleid dat steeds meer Vlaamse jongeren zich geroepen voelen en met open armen worden ingehaald. Uiteraard heeft deze democratisering een prijskaartje, financieel maar vooral educatief. Waar een gemiddelde Harvard-student bij uitstek door de interactie met zijn geniale medestudenten gevormd wordt, telt het eerste jaar aan onze universiteiten vaak een allegaartje van jonge mensen, waarvan de diversiteit troeven heeft, maar de intellectuele capaciteiten op zijn zachtst gezegd erg ongelijk blijken. Dit wordt dan meteen rechtgezet nà het eerste jaar, vermits in vele faculteiten hooguit de helft het modelprogramma voltooit. Vraag blijft daarbij of wel de juiste studenten deze jaarselectie overleven en niet de verkeerde overblijven, doch dat is voer voor een aparte analyse van de evaluatiecriteria per studierichting.

Waar Leuven in elk geval het verschil kan maken, is in het onderwijs zelf. Op onderzoeksvlak zal een Vlaamse universiteit hooguit virtueel de paden bewandelen die Harvard of M.I.T. aangeven, en hun resultaten hertalen naar een eigen publiek, met hier en daar een uitschieter of voltreffer om de wanhoop te trotseren. Inzake onderwijs moet het ons anderzijds mogelijk zijn de voedingsbodem voor kwalitatieve vorming, met name de studenteninteractie, te optimaliseren. Een kandidaat-rector van de grootste Nederlandstalige universiteit moet het lef hebben colleges met meer dan vijftig studenten te verbieden. Er kan geen sprake zijn van een zogenaamde goede mix tussen grote ‘ex cathedra’ colleges en kleinere ‘werkcolleges’. Er valt geen enkele reden te bedenken voor grootschalig onderwijs, behoudens eventueel een financiële, doch hiervoor zijn moderne educatieve oplossingen voorhanden [1]. Daarom dient een toonaangevende universiteit paal en perk te stellen aan uitwassen, waarbij een monstercollege voor 600 studenten kwalitatief vergelijkbaar is met de projectie van een video, hoe goed de docent zich ook weert. Tevens moet zo’n universiteit binnen de faculteiten beduidend meer middelen vrijmaken voor onderwijsvernieuwing en deze cruciale taak niet louter overlaten aan gespecialiseerde pedagogen of centrale onderwijsdiensten, zonder aanvaarding of impact op het terrein. Elke docent van elke faculteit moet zich, dag in dag uit, realiseren dat zijn onderwijsaanpak gemeenschapsvormend is en bijgevolg geen vrijblijvende kennisoverdracht inhoudt.

Interactie tussen docent en student, maar ook tussen de studenten onderling, vormt de sleutel tot diepgaande vorming. Zo’n interactie is slechts mogelijk in kleine groepen. Diezelfde interactie tussen individuen zal, wanneer aangeleerd aan de universiteit, de motor en voedingsbodem blijken voor de haalbaarheid van een multi-individuele samenleving als de onze. Hierin kan en moet een democratische universiteit als Leuven het voortouw nemen. Reden genoeg voor een nieuwe rector om inzake onderwijscolleges de hoogste kwaliteit en dus de laagste kwantiteit te huldigen. Met deze klemtoon op kwalitatief, kleinschalig onderwijs, uiteraard gesteund op kwaliteitsvol onderzoek, zal de universiteit haar voortrekkersrol opnieuw waarmaken. Plus est en vous, rector magnificus.

Prof. dr. Frank Fleerackers is algemeen voorzitter van het Verbond der Vlaamse Academici

(*) NvdR: Deze tekst verscheen, zonder de voetnoot, in De Standaard van 5 mei 2009, onder de hoofding “Harvard of de Dijle”. Hij werd geschreven voor de nieuwe rector verkozen werd. Nierspecialist Mark Waer, de huidige vicerector van de KU Leuven, is ondertussen op vrijdag 8 mei met 54 procent van de stemmen tot rector van de universiteit verkozen.


[1] Een voorbeeld: neem een vak dat normaliter ex cathedra aan 200 studenten wordt gedoceerd over 60 uren college. Deel de studenten op in vijf groepen van 40, elk goed voor 12 uren college. Vraag vervolgens de studenten te huldigen wat de KU Leuven en andere instellingen reeds jaren in het vaandel voeren, met name de "begeleide zelfstudie". Aldus zullen ze telkens de eerstvolgende les voorbereiden en de docent per e-post op de hoogte brengen van de ervaren pijnpunten. De docent zal vervolgens, goed op de hoogte van deze pijnpunten, zijn les gerichter en inhoudelijk meer relevant kunnen brengen. Aanvullend kunnen grote colleges op video geregistreerd worden, doch zulks vormt slechts een addendum bij de voorgestelde aanpak.