Peilingen grote verliezer verkiezingen ('09)

Wie de opiniepeilingen en de reële uitslag van de verkiezingen naast elkaar legt, is geneigd te zeggen: hou op met electorale peilingen, want ze blijven er gigantisch naast zitten. Al decennialang is er nauwelijks innovatie of methodologische vooruitgang, ook al is de electorale markt ondertussen zeer onstabiel gebleken. Het resultaat zijn oertraditionele en conservatieve peilingen die nagenoeg elke verkiezing opnieuw beneden peil blijven.

Eens het verdict van de kiezer gevallen, wordt er naar goede - of beter slechte - gewoonte zelden nog over de peilingen gerept, laat staan teruggeblikt. Het cliché wil bovendien dat elke verkiezing een verrassing herbergt die niet in de peilingen naar boven kwam. Beide clichés werden ook bij deze verkiezingen voor het Vlaams Parlement bevestigd, al kunnen de pollsters wellicht enige troost putten uit de vaststelling dat hun opeenvolgende peilingen - zij het zwak - de tendensen wel registreerden, waarvan de terugval van LDD en Vlaams Belang, alsook de klim van N-VA de meest opvallende waren. Journalisten dekken zich tegen dat soort verrassingen in, door te benadrukken dat ‘een peiling naar de kiesintenties geen voorspelling van de verkiezingsuitslag is’ (De Standaard, 6 juni) maar slechts een ‘tussentijdse momentopname’, ook al laten ze daarbij niet na om partijen voortdurend te taxeren op het door de peilingen aangekondigde verkiezingsresultaat.

Wisselstroom
In tegenstelling tot de lang voorspelde, structurele terugval van Vlaams Belang, was de steile opmars van N-VA en de inkrimping van LDD een verschijnsel van recentere datum, waarvan de electorale beweging werd ingezet in de periode vlak voor en tijdens de verkiezingscampagne. Meteen trouwens voldoende reden om aan te nemen dat de ‘electorale onrust’ van de onbesliste en twijfelende kiezer zich voornamelijk rond de knooppunten LDD en N-VA afspeelde.
De verkiezingsuitslag bevestigt ook nu weer dat de traditionele peilingen zelden in staat blijken om de omvang van dergelijke dynamische electorale ‘wisselstromen’ veroorzaakt door onbesliste kiezers - volgens sommige peilingen oplopend tot de helft van het electoraat - voor de verkiezingen op te pikken en adequaat uit te drukken in cijfers. Er is trouwens geen enkele reden om aan te nemen dat de voorkeuren van twijfelende kiezers en late beslissers uiteindelijk in dezelfde richting gaan van ‘beslisten’ die in peilingen hun kiesintentie vroegtijdig prijsgeven. Twijfelende kiezers kunnen integendeel, zelfs radicaal tegen de stroom en de tendensen van de besliste kiezer ingaan. De traditionele peilingen houden de thermometer vooral dicht bij het besliste en dus relatief campagne-ongevoelige deel van het electoraat, en brengen om die reden overwegend het stabiele - en dus per definitie minst interessante deel in kaart. Dat is inherent aan de manier waarop traditionele peilers tewerk gaan.

Daarenboven is het tamelijk vanzelfsprekend dat wisselende, onbesliste en onverschillige kiezers zich minder gemakkelijk laten strikken voor dergelijke onderzoeken, terwijl het net de volatiele kiezers zijn die verschuivingen veroorzaken in het electorale marktaandeel van de partijen. De cijfers tonen dat ook aan: Het Laatste Nieuws moest in zijn laatste peiling maar liefst 8.923 ondervraagden contacteren om een ‘representatieve’ nettosteekproef te kunnen samenstellen van 2.000 kiesgerechtigde Vlamingen. In diezelfde zin houdt de vermelding in De Standaard (‘De ultieme peiling’, 6 juni) dat ‘de cijfers met maximaal 2 à 2,5 procent afwijken van wat men zou vinden bij ondervraging van de volledige bevolking’, statistisch geen steek. Bijkomend ook omdat die peiling bij de verwerking van de resultaten op geen enkele manier met onbesliste kiezers rekening houdt. In tegenstelling tot Het Laatste Nieuw bijvoorbeeld, verzwijgt De Standaard in zijn rapportering consequent het aantal bruto-contacten noodzakelijk om het vereiste aantal bereidwilligen te vinden om tot een ‘representatief samengestelde steekproef’ te komen. In het geval van De Standaard: een duizendtal telefonisch ondervraagden.

Het wegvallen van de weigeraars om aan dergelijke peilingen deel te nemen, legt zwaar beslag op de representativiteit va de tussentijdse resultaten. Bovendien zorgen 1.000 à 2.000 respondenten die uitwaaieren over vijf kieskringen met telkens acht verschillende partijen voor stevige foutenmarges, wat verklaart waarom peilingen doorgaans vruchteloos naar de reële uitslag vissen, zelfs al wordt een peiling vlak voor de verkiezingen afgenomen.

Afwijkingen
Als we alle afwijkingen tussen de ‘voorspelde’ en reële verkiezingsuitslag optellen op basis van de laatst gepubliceerde peilingen, dan wijkt de ‘voorspelde’ uitslag van Het Laatste Nieuws samengeteld het meest af van de reële verkiezingsuitslag: 19,6 procent of omgerekend goed voor een verschil van 22 op 124 zetels. Zowel bij LDD als N-VA loopt de afwijking apart op tot 4,8 procent. Beide afwijkingen alleen al blijken samen goed voor een verschil van maar liefst 13 zetels. De meest recente peilingen van VRT/De Standaard en La Libre Belgique weken respectievelijk 15,2 en 14,5 procent af van de reële verkiezingsuitslag.

In een kiesgebied waar de grootste politieke partij een marktaandeel noteert van 22,9 procent en drie partijen ongeveer 15 procent scoren is dat aanzienlijk. Een cumulatieve afwijking van die grootteorde betekent immers doorgaans dat de berekende marktaandelen ergens wel significant afwijken van de reële verkiezingsuitslag. Het is wellicht geen toeval dat ook de peilingen van La Libre Belgique (internetpeiling) en VRT/De Standaard (telefonisch), dezelfde zwakke plekken vertonen en stevige inschattingsfouten maakten van zowel het electorale marktaandeel van LDD (respectievelijk 4,3 en 4,1 procent overschatting) en N-VA ( 3,9 en 3,1 procent onderschatting). Dat zijn namelijk precies de plaatsen waar naar alle waarschijnlijkheid de grootste electorale dynamiek optrad.

Vast pannel
In de aanloop naar de Vlaamse parlementsverkiezingen 2004 was VRT/De Standaard, met een cumulatieve afwijking van 16,8 procent, met voorsprong de slechtste peiler. Het resultaat van CD&V/N-VA werd toen met 5,3 procent overschat, dat van het Vlaams Blok werd met 4,3 procent onderschat. Le Soir (telefonische peiling) en La Libre Belgique (faceto-face peiling konden de cumulatieve afwijking tot respectievelijk 12,8 procent en 10,0 procent beperken.
‘De Stemmenkampioen’ van Het Laatste Nieuws publiceerde toen als enige een voorspelling van de uitslag met een cumulatieve afwijking die onder 10 procent dook (8,6%) voor alle partijen samen. Dat betrekkelijk accurate resultaat was enkel mogelijk door een prognose te maken op basis van een vast panel kiezers in plaats van een ad hoc steekproef zoals bij traditionele peilingen. De prognoseberekening hield bovendien rekening met de geleidelijke evolutie in de tijd van de keuze van de krimpende groep onbesliste kiezers, en met de blanco stemmen. Bovendien werd het resultaat van ‘De Stemmenkampioen’ (gebaseerd op een vast panel van 11.500 kiezers) - in tegenstelling tot traditionele peilingen niet uitsluitend gecorrigeerd in functie van de ‘representatieve’ verhoudingen inzake leeftijd, geslacht, opleidingsniveau en beroepscategorie: ‘De Stemmenkampioen’ becijferde de resultaten daarenboven in functie van het kiesgedrag bij vorige verkiezingen.

In traditionele steekproeven wordt het fameuze begrip ‘representativiteit’ stelselmatig mismeesterd en als gezagsargument gebruikt, terwijl die steekproeven in geen enkel opzicht als ‘representatief’ kunnen worden beschouwd voor de kiesgerechtigde populatie waarop zij betrekking hebben, laat staan voor de kiesintenties of het kiesgedrag binnen die populatie. Het gros van de peilingen houdt bijvoorbeeld geen rekening met ‘blanco stemmen’ en niet-stemmers, hoewel die bij de afgelopen verkiezingen samen 12,5 procent van kiesgerechtigd Vlaanderen vertegenwoordigden.
De grootste scheeftrekking gebeurt echter door degenen die weigeren mee te werken aan dergelijke peilingen: elke weigeraar wordt in de steekproef immers vervangen door iemand met een gelijkaardig socio-demografisch profiel om zo te voldoen aan de eis van een formele representativiteit. Het is in functie van dergelijke criteria dat de representativiteit in de meeste steekproeven wordt geconstrueerd. Het gaat daarbij met andere woorden om een louter formele, kunstmatige representativiteit, die niets zegt over de representativiteit ten aanzien van het uiteindelijke kiesgedrag of de kiesintenties van de volledige kiesgerechtigde populatie. Dat laatste wordt in traditionele peilingen handig verzwegen.

Niet representatief
Op basis van dat laatste gegeven zou men nochtans vrij eenvoudig de twijfelachtige representativiteit van al die ‘representatief samengestelde steekproeven’ kunnen nagaan. Indien een ‘representatief samengestelde steekproef’ ook representatief zou zijn voor het kiesgedrag, zou men op basis van die steekproef in staat moeten zijn om zonder veel omhaal het resultaat van vorige verkiezingen te reconstrueren. Mochten pollsters dergelijke proef op de som nemen, dan zou al vlug blijken dat er binnen de steekproef van ‘representativiteit inzake kiesgedrag’ weinig of geen sprake is.

Allen meten
Verfijning van de methode die ‘De Stemmenkampioen’ ontwikkelde (‘SwitchPoll’) zou in staat moeten zijn om zelfs in een erg versnipperd partijpolitiek landschap als het onze, de cumulatieve afwijking voor alle partijen samen te beperken tot circa 5 procent, precies omdat de methode steunt op de inschatting van de dynamiek die het volatiele deel van de kiezers (en dus ook de onbesliste kiezer) veroorzaakt, en daarbij ook rekening houdt met blancostemmers.

(Verscheen als opiniestuk in De Tijd, vrijdag 12 juni '09)