Schendt hoofddoekenverbod mensenrechten en godsdienstvrijheid?

Verdedigers van het recht om een hoofddoek te dragen op school schermen met grote rechtsprincipes die geschonden worden. Nochtans vindt het EHRM het hoofddoekenverbod op Turkse universiteiten niet in strijd met het EVRM. In Frankrijk kregen twee hoofddoekdragende tieners (11 en 12 jaar..) geen gelijk bij het EHRM voor hun uitsluiting uit de school.

Verdedigers van het recht om een hoofddoek te dragen op school schermen met de schending van grote rechtsprincipes: het is een aanval op de vrijheid van godsdienst, het recht op onderwijs, de grondwet, het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, en ga zo maar door. Enkele voorbeelden:

- "Vrouwen verbieden een hoofddoek te dragen, is ook een manier om hun religieuze beleving in te dammen en is een rechtstreekse aanval op de vrijheid van religie." (Abou Jahjah, DS 18.09.09)

- Zohra Othman (van het advocatenkantoor Progress Lawyers Network), advocate van de leerlinge uit het Atheneum van Antwerpen die naar de Raad van State stapte, ziet mogelijke juridische stappen tegen dat algemene hoofddoekenverbod in het Gemeenschapsonderwijs. "Het druist in tegen hun pedagogisch project, tegen de grondwet en tegen het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens. Ik sta te trappelen om het aan te vechten." (DS 16.09.09). (De meeste advocaten van Progress Lawyers Network waren vroeger lid van 'Advocaten voor het Volk', een met de extreem-linkse PVDA verwante advocaten-associatie. In 2003 veranderden ze hun naam in Progress Lawyers Network. Niet alle advocaten zijn lid van de PVDA maar de link is wel gebleven. Kopstuk Jan Fermon stond op de verkiezingslijst van de PVDA, net als Zohra Othman).

- Eva Brems, docente mensenrechten en niet-westers recht aan de universiteit Gent, voorzitter van Amnesty International Vlaanderen: "De bescherming van de vrijheden van anderen is een gegronde reden om iemands (godsdienst)vrijheid te beperken. Die beperking moet wel evenredig zijn. Als het schoolklimaat kon worden verbeterd door enkele leerlingen te sanctioneren, schendt een algemeen verbod dus toch nog de godsdienstvrijheid. Dat het verbod in de athenea van Antwerpen en Hoboken correct was, kan ik als mensenrechtenjurist dan ook niet zonder meer beamen.... De verwijzing naar de autonomie van de school heeft in de praktijk een obstakel gecreëerd voor het genot van het recht op onderwijs. De prijs die sommige meisjes moeten betalen, is het inleveren van een ander mensenrecht: de vrijheid van godsdienst. Dat die de vrijheid omvat om in het openbaar de uiterlijke kenmerken van een godsdienst te dragen, staat buiten kijf. Als in een bepaalde regio alle ASO-scholen de hoofddoek verbieden, en hoofddoekdraagsters vervolgens en masse naar het TSO en BSO trekken, ontstaat het vermoeden dat de vrije toegang tot het onderwijs bedreigd is. En dan komt de internationale aansprakelijkheid van België in het geding." (DS 09.09.09)

Vooreerst het discours over de mensenrechten

Er zijn ondertussen zoveel zogenaamde 'mensenrechten' dat ze uiteraard met elkaar in conflict moeten komen, zoals blijkt uit het betoog van Eva Brems, die zich in alle mogelijke stylistische bochten moet wringen om al die rechten hun plaats te geven in haar discours ("Als alle ASO-scholen de hoofddoek verbieden.. ontstaat het vermoeden dat .."). Zoals prof. Frank van Dun het stelt, had "iedereen voor de uitvinding van de moderne mensenrechten het recht voor zichzelf te beslissen in welke volgorde of mate hij zijn begeerten met zijn middelen zal trachten te bevredigen, onverminderd de rechten van anderen. 'The right to the pursuit of happiness' noemde Thomas Jefferson dat recht om op eigen verantwoordelijkheid en met eigen middelen – dus niet ten koste van anderen – het geluk na te streven. Het was geen conflictgenererend recht omdat het geen aanspraken op andermans persoon of middelen impliceerde.... De moderne mensenrechten bestaan evenwel uit niets anders dan dergelijke aanspraken, al wordt dat doeltreffend verhuld doordat men rechten niet meer opvat als de fundamentele structuren van relaties tussen mensen. De mensenrechten zijn op de eerste plaats 'morele aanspraken' die 'de politiek' – de staat, meer en meer ook het netwerk van internationale bureaucratieën – moet proberen te beantwoorden met gepast beleid. Kortom, mensenrechten veronderstellen het bestaan en de werkzaamheid van een politiek georganiseerde maatschappij. Zij zijn maatschappelijke rechten, geen rechten van mensen als zodanig maar van de cliënten van een met politieke middelen georganiseerd systeem van voorzieningen. Dat systeem moet er maar voor zorgen dat zij alles krijgen wat zij voor hun 'geluk' nodig hebben. Dat betekent dat iedereen er recht op heeft dat de politieke overheden in zijn belang andere mensen belasten en aan wettelijke en beleidsregels onderwerpen.... Hoe het ook zit met de indeling van wat men ons als fundamentele rechten voorschotelt, er zijn blijkbaar weinig dingen waar mensen geen recht op hebben. Zij hebben blijkbaar recht op ongeveer alles wat zij begeren, althans wat de stemmingmakende segmenten van de publieke opinie als 'goed' of 'politiek correct' bestempelen." ('De utopie van de mensenrechten' )

Vonnissen over hoofddoeken

Na een beschouwing ten gronde over de moderne mensenrechten, terug naar de hoofddoekenkwestie. Wat zegt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over een verbod op het dragen van hoofddoeken? Op 4 december 2008 was het Hof er mee eens dat twee Franse tieners (resp. 11 en 12 jaar...) van school gestuurd waren omdat ze bleven weigeren hun hoofddoek uit te doen in de lessen sport en lichamelijke opvoeding. Noch het recht op vrijheid van godsdienst noch het recht op onderwijs was geschonden. Dat ze van school gestuurd werden lag uitsluitend aan het feit dat ze het schoolreglement overtraden, dat hen nochtans bekend was. Op 10.11.05 oordeelde de Grote Kamer, met 17 rechters, dat het verbod op het dragen van hoofddoeken (NvdR: verbod dat ook van toepassing is op baarden voor mannen) op Turkse universiteiten toelaatbaar is. Hierbij, zegde het Hof, verliest het ook niet uit het oog dat er in Turkije politieke extremistische bewegingen bestaan die er zich voor inzetten hun religieuze symbolen en hun visie op de samenleving op te leggen aan de hele samenleving, gebaseerd op religieuze regels. Het Hof verwijst in dit vonnis ook naar eerdere vonnissen, waarin voor de 'foulard islamique' beperkingen werden aanvaard in een democratische samenleving. (Enkele uittreksels uit de twee vonnissen onder dit artikel)

Aanvechten maar

Als ik deze vonnissen lees, kom ik tot het besluit dat het hoofddoekenverbod op school noch enig mensenrecht noch de vrijheid van godsdienst schendt. Mij lijken die oproepen van 'zij schenden de mensenrechten' er alleen toe te dienen er onwetenden van te overtuigen dat de voorstanders van een verbod een soort boosdoeners zijn die zelfs elementaire mensenrechten met voeten treden. Quod non.

Aan Abou Jahjah, Zohra Othman, Eva Brems en anderen: benieuwd of u voor het EHVR gelijk zou krijgen dat er fundamentele rechten geschonden zijn door een hoofddoekenverbod, zelfs als dat ingevoerd wordt in alle gemeenschapsscholen. Ik sta bijna te trappelen om het vonnis te lezen.

Maar lees dan wellicht eerst het interview van Charlemagne met directrice Karin Hereman op de website van The Economist (18.09.09): "In 2007-8 there were 15 girls who came with long robes, gloves, and only their faces showing. Scarves became longer and longer...We saw girls starting to wear veils who had not before, and asked them why. They said they did not feel very comfortable without a scarf, I must be accepted. We had girls who wore scarves at school, but teachers saw them outside the school without scarves... We used to do a two day trip to Paris. For 15 year olds. Suddenly, in the last three years it was not possible. Suddenly their older brothers had to come too, it was a problem for them to stay overnight. In 2007, we cancelled the two day trip and it became a day trip, we left at 5 in the morning. We used to go to Istanbul for a week with the 18 year olds, too. We chose that city as a crossing point of cultures. Then because of security fears, we decided to go to Italy instead of Istanbul. We chose Italy to give them a sense of humanism, of da Vinci. But, oh, the difficulties I had to explain to the students that they should be interested in our culture, for the sake of reciprocity. It hurt, when students said they were not interested in western culture..." (Antwerp Muslim headscarf row, the story on the ground' )

Mevrouw Brems, u die zich inzet voor 'het genot van het recht van onderwijs', wat vindt u van "they were not interested in western culture"?



Arrêts de chambre dans les affaires Dogru c. France (requête no 27058/05) et Kervanci c. France (no 31645/04). 4.12.08

Les requérantes, Belgin Dogru et Esma-Nur Kervanci, sont des ressortissantes françaises nées en 1987 et 1986 respectivement et résidant à Flers (France).
Les deux affaires concernent l’exclusion des requérantes de leur établissement scolaire, en raison de leur refus de retirer leur foulard durant les cours d’éducation physique et sportive.
Mlle Dogru, alors âgée de 11 ans, et Mlle Kervanci, alors âgée de 12 ans, toutes deux de confession musulmane, étaient scolarisées pour l’année 1998-1999 dans une classe de sixième d’un collège public de la ville de Flers.
A de nombreuses reprises au cours du mois de janvier 1999, les requérantes se rendirent en cours d’éducation physique et sportive la tête couverte et refusèrent d’enlever leur foulard malgré les demandes répétées de leur professeur et les explications de celui-ci concernant l’incompatibilité du port d’un tel foulard avec la pratique de l’éducation physique....
En février 1999, le conseil de discipline du collège prononça l’exclusion définitive des requérantes pour non-respect de l’obligation d’assiduité, en raison de l’absence de participation active des intéressées à leurs séances d’éducation physique et sportive.

Griefs
Invoquant l’article 9 (droit à la liberté de pensée, de conscience et de religion), les requérantes se plaignaient de l’atteinte à leur droit de manifester leur religion. Elles alléguaient également avoir été privées de leur droit à l’instruction, au sens de l’article 2 du Protocole no 1 (droit à l’instruction).

Décision de la Cour
En l’espèce, la Cour estime que la conclusion des autorités nationales selon laquelle le port d’un voile, tel le foulard islamique, n’est pas compatible avec la pratique du sport pour des raisons de sécurité ou d’hygiène, n’est pas déraisonnable. Elle admet que les sanctions infligées ne sont que la conséquence du refus par les requérantes de se conformer aux règles applicables dans l’enceinte scolaire dont elles étaient parfaitement informées et non, comme elles le soutiennent, en raison de leurs convictions religieuses.



Arrêt de Grande Chambre Leyla Sahin c. Turquie 10.11.05 

A l’époque des faits, elle était étudiante en cinquième année à la faculté de médecine de l’université d’Istanbul. Le 23 février 1998, le Rectorat de celle-ci émit une circulaire disposant que les étudiants barbus et les étudiantes portant le foulard islamique ne pouvaient être admis ni aux cours, ni aux stages, ni aux travaux dirigés.
En mars 1998, la requérante se vit refuser l’accès aux épreuves écrites dans l’une de ses matières au motif qu’elle portait le foulard islamique. Par la suite, on lui refusa pour le même motif son inscription ou son admission à plusieurs cours, de même que l’accès aux épreuves écrites dans une matière.

L’arrêt a été rendu par la Grande Chambre de 17 juges,
...
111. La Cour rappelle également que, dans les décisions Karaduman c. Turquie (no 16278/90, décision de la Commission du 3 mai 1993, DR 74, p. 93) et Dahlab, précitée, les organes de la Convention ont considéré que, dans une société démocratique, l’Etat peut limiter le port du foulard islamique si cela nuit à l’objectif visé de protection des droits et libertés d’autrui, de l’ordre et de la sécurité publique. Dans l’affaire Karaduman précitée, des mesures prises dans les universités en vue d’empêcher certains mouvements fondamentalistes religieux d’exercer une pression sur les étudiants qui ne pratiquent pas la religion en cause ou sur ceux adhérant à une autre religion n’ont pas été considérées comme une ingérence au regard de l’article 9 de la Convention. Par conséquent, il a été établi que des établissements de l’enseignement supérieur peuvent réglementer la manifestation des rites et des symboles d’une religion en fixant des restrictions de lieu et de forme, dans le but d’assurer la mixité d’étudiants de croyances diverses et de protéger ainsi l’ordre public et les croyances d’autrui (voir, également, Refah Partisi (Parti de la prospérité) et autres, précité, § 95). Dans le cadre de l’affaire Dahlab précitée, qui concernait une enseignante chargée d’une classe de jeunes enfants, la Cour a notamment mis l’accent sur le « signe extérieur fort » que représentait le port du foulard par celle-ci et s’est interrogée sur l’effet de prosélytisme que peut avoir le port d’un tel symbole dès lors qu’il semblait être imposé aux femmes par un précepte religieux difficilement conciliable avec le principe d’égalité des sexes. Elle a également noté la difficulté de concilier le port du foulard islamique par une enseignante avec le message de tolérance, de respect d’autrui et surtout d’égalité et de non-discrimination que, dans une démocratie, tout enseignant doit transmettre à ses élèves.

116. Vu le contexte décrit ci-dessus, c’est le principe de laïcité tel qu’interprété par la Cour constitutionnelle (paragraphe 39 ci-dessus) qui est la considération primordiale ayant motivé l’interdiction du port de symboles religieux dans les universités. Dans un tel contexte, où les valeurs de pluralisme, de respect des droits d’autrui et, en particulier, d’égalité des hommes et des femmes devant la loi, sont enseignées et appliquées dans la pratique, l’on peut comprendre que les autorités compétentes aient voulu préserver le caractère laïque de leur établissement et ainsi estimé comme contraire à ces valeurs d’accepter le port de tenues religieuses, y compris, comme en l’espèce, celui du foulard islamique.

... la Cour estime que l’ingérence litigieuse avait une base légale en droit turc et que Melle Şahin pouvait prévoir, dès son entrée à l’Université, que le port du foulard islamique était réglementé et, à partir de la circulaire de 1998, qu’elle risquait de se voir refuser l’accès aux cours et aux épreuves si elle persistait à porter le foulard.

La Cour ne perd pas de vue qu’il existe en Turquie des mouvements politiques extrémistes qui s’efforcent d’imposer à la société toute entière leurs symboles religieux et leur conception de la société, fondée sur des règles religieuses.

Dans ce contexte, c’est le principe de laïcité qui est la considération primordiale ayant motivé l’interdiction du port d’insignes religieux dans les universités. Dans un tel contexte, où les valeurs de pluralisme, de respect des droits d’autrui et, en particulier, d’égalité des hommes et des femmes devant la loi sont enseignées et appliquées dans la pratique, on peut comprendre que les autorités compétentes considèrent comme contraire à ces valeurs d’accepter le port d’insignes religieux y compris, comme en l’espèce, que les étudiantes se couvrent la tête d’un foulard islamique dans les locaux universitaires.

Dans ces circonstances et compte tenu notamment de la marge d’appréciation laissée aux Etats contractants, la Cour conclut que l’ingérence litigieuse était justifiée dans son principe et proportionnée aux buts poursuivis, et pouvait donc être considérée comme « nécessaire dans une société démocratique ». Elle conclut dès lors, à la non-violation de l’article 9.

Reacties

hoofddoekenverbod

Eva Brems pleit terecht (DS 9 september) om niet van Karin, schoolhoofd van het Antwerpse atheneum, het probleem te maken. Het probleem zou de houding zijn van de scholen die eerder de hoofddoek verboden. Vrijheid van godsdienst zou de vrijheid omvatten om in het openbaar de "uiterlijke kenmerken van een godsdienst" te dragen. Voor mij is echter de hoofddoek zelf, als zogenaamd uiterlijk kenmerk van een godsdienst, het probleem.

Zoals rond vele andere zaken is de Koran over de hoofddoek niet exact vastleggend maar eerder omschrijvend. Een verplichting tot de hoofddoek vind ik er nergens in. Sura 24,31 vraagt aan de gelovige vrouwen hun blik neer te slaan, hun kuisheid te bewaren, met hun schoonheid niet te koop te lopen behalve wat gewoon al zichtbaar is, en hun sluiers over hun boezem te slaan. Ook moeten ze niet met hun voeten slaan om hun verborgen sieraad niet te onthullen. Sura 33,59 vraagt aan de vrouwen van de gelovigen, hun kledij over zich heen naar beneden te laten hangen, opdat zij als respectabel erkend worden. Beide sura's stammen uit de Medina-tijd, de periode waarin Mohammed de maatschappij waarvan hij de leider was ordende. Volgens Taha (zie elders in dit Pierke) zijn de Medinese verzen in tegenstelling tot de Mekkaanse niet op te vatten als een openbaring van hogerhand. Vertalingen van deze (en andere) sura’s lopen trouwens erg uiteen (zie bv. www.clay.smith.name/). Moslimvrouwen kùnnen eruit afleiden dat een hoofddoek moet. Maar zijn er niet nog vele andere mogelijkheden, ook zonder hoofddoek, om aan deze oproep tot reinheid te voldoen en een goede moslima te zijn?

Als "uiterlijk kenmerk van een godsdienst" is de hoofddoek dus allerminst een gegeven. Moslimmeisjes bepalen individueel of zij hem als kenmerk van hun godsdienst willen dragen. Het is niet aan "ons" om de hoofddoek als kenmerk van de islam te definiëren, en van daaruit te menen hem te moeten tolereren.

Vlaamse scholen verbieden àlle hoofddeksels in de klas. Daar horen logischerwijze ook hoofddoeken bij. Voorzover meisjes hiermee hun identiteit willen beklemtonen mag een school daar grenzen aan stellen, zoals ze dat ook met overdadige piercings of tatoeages kan. Hoe zouden we omgaan met een groep oerkatholieke jongeren die zich met grote kruisbeelden gaat tooien?  

Wie pleit tegen het hoofddoekenverbod bevordert geen emancipatie, maar enkel een starre, maximale interpretatie van een godsdienstige - of eerder: een oeroude wetgevende - tekst, groepsegoïsme en segregatie van een aantal meisjes dat het zo al moeilijk genoeg heeft om gelijke kansen te krijgen.

Luc Vandecasteele