Ontvang de nieuwsbrief op regelmatige basis
De Vlaamse parlementsleden blijven er zich druk over maken dat de administratie het door hen goegekeurde decreet RO tot in de puntjes toepast. Dat lijkt niet 'oplossingsgericht'. Nu zouden ze blijkbaar zelf voor oplossingsgerichte wijzigingen zorgen. Minder werk voor de net opgerichte Raad voor Vergunningsbetwistingen?
Lode Ceyssens (CD&V) betreurt dat "opnieuw" het eigen Agentschap Ruimte en Erfgoed in beroep gaat tegen een provinciale administratie. Hij haalt het voorbeeld aan van een vergunningsdossier dat de bestendige deputatie goedkeurt, nadat, op haar vraag, het oorspronkelijke volume werd verkleind. Een dossier waartegen bij het openbaar onderzoek geen enkel bezwaar was ingediend. Het agentschap dient toch beroep in bij de Raad voor Vergunningenbetwistingen. Ondertussen kan de door de bestendige deputatie verleende vergunning niet gebruikt worden. Volgens Lode Ceyssens zou de administratie 'meer logica' en 'oplossingsgerichte maatregelen' moeten toepassen, en dit te weinig doen. (Plenaire vergadering Vlaams parlement, woensdag 13 jan '10. "Actuele vraag van de heer Lode Ceyssens tot de heer Philippe Muyters, Vlaams minister van Ruimtelijke Ordening, over bouwberoepen die door de bestendige deputatie ingewilligd worden op basis van aangepaste plannen." Zie details onderaan dit artikel). De vergunning waarover sprake werd dus door de gemeente geweigerd, en na wijziging door de bestendige deputatie goedgekeurd. Dat mag echter volgens het decreer RO niet, want alleen in eerste administratieve aanleg mag een beperkte aanpassing van de ter beoordeling voorgelegde plannen worden opgelegd. Volgens Lode Ceyssens zou dus ook de bestendige deputatie dit moeten kunnen doen.
'Odinaire pesterijen'
De klacht van Lode Ceyssens is het zoveelste geval van parlementsleden die er zich over verbazen of ergeren dat de administratie het door hen goedgekeurde decreet zeer nauwgezet toepast. Carl Decaluwe (CD&V) had het ooit nog over 'ordinaire pesterijen', toen de bouwinspectie afbraakbevelen in gang zette om zeer oude vonnissen uit te voeren (bespreking commissie ruimtelijke ordening, 2 febr. '06 ). Dat was menselijk alles behalve in orde, maar de bouwinspectie pastte wel alleen maar - naar de letter - het decreet toe, zoals het door het Vlaams parlement was goedgekeurd. Wat de klacht van Lode Ceyssens betreft: in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening staat uitdrukkelijk dat aanpassingen aan planning en voorwaarden aan planning alleen kunnen worden opgelegd door de eerste administratieve aanleg. Als de bestendige deputatie dus een aanpassing doet, kan tegen die vergunning toch nog beroep aangetekend worden bij de Raad voor Vergunningenbetwistingen of bij de Raad van State. Ook als het beroep van het agentschap Ruimte en Erfgoed volgens hem geen 'oplossingsgerichte maatregel' is, doet het toch niets anders dan het decreet correct toepassen? Als de Vlaamse parlementsleden dat willen veranderen, moeten ze hun decreet wijzigen in plaats van daarover bij de minister te klagen. Een aantal parlementsleden zou nu bezig zijn een initiatief te nemen om een aantal voorstellen tot wijziging van de codex in te dienen, waaronder een bepaling die tegemoet zou komen aan de verzuchting van Lode Ceyssens. Afwachten...
Nieuw: de Raad voor Vergunningsbetwistingen
We maken van die vraag van Lode Ceyssens gebruik om hier de nieuw ingevoerde Raad voor Vergunningsbetwistingen te presenteren. De Raad werd ingevoerd met de laatste grote wijziging aan het decreet RO van begin 2009 (BS 15.05.09 - Stukken 2011-1 t/m 7, 2008-2009 ). Tot nu was een beroep tegen een door de gemeente of de gewestelijke ambtenaar geweigerde vergunning mogelijk bij de bestendige deputatie. (Ook de beroepsprocedure bij de bestendige deputatie werd in 2009 grondig gewijzigd). Daarna moest men gaan aankloppen bij de Raad van State. Een procedure die zoals bekend vele jaren kan aanslepen (gemakkelijk vijf tot zeven jaar). Alleen de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar kon nog in beroep gaan bij de minister tegen een goedkeuring van een vergunning door de bestendige deputatie. Met de instelling van de Raad voor Vergunningsbetwistingen wordt het beroep bij de minister geschrapt, en kan elkeen - in het licht van het respecteren van het gelijkheidsbeginsel - in (voor)laatste instantie er zijn zaak voorbrengen: zowel de aanvrager, de gemeente als de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar. Binnen de Belgische rechtsordening staat tegen de beslissingen van die Raad echter wel nog steeds een cassatieberoep bij de Raad van State open. Ook beroepen in verband met de (niet)-validering van het as built-attest zullen door de Raad kunnen behandeld worden.
Beroepen voor de Raad kunnen aanhangig worden gemaakt door dezelfde personen en instanties als vermeld onder de (gewijzigde) administratieve beroepsprocedure bij de bestendige deputatie:
1° de aanvrager van de vergunning ;
2° elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die rechtstreeks of onrechtstreeks hinder of nadelen kan ondervinden ten gevolge van het vergunde ;
3° procesbekwame verenigingen die optreden namens een groep wiens collectieve belangen door de bestreden beslissing zijn bedreigd of geschaad, voor zover zij beschikken over een duurzame en effectieve werking overeenkomstig de statuten;
4° de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar, behoudens in die gevallen waarvoor de Vlaamse Regering heeft bepaald dat de ontvoogde gemeenten geen afschrift dienen te bezorgen aan de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar omwille van de beperkte impact van de vergunning of de eenvoud van het dossier ;
5° de adviserende instanties, op voorwaarde dat zij tijdig advies hebben verstrekt of ten onrechte niet om advies werden verzocht.
De Raad bestaat uit vijf raadsleden. Hij wordt bijgestaan door twee griffiers, vijf adviseurs en administratief personeel.
Behandelingstermijnen en gevolgen
De termijn om beroep in te stellen bedraagt 30 dagen. Na een goede drie maand moet de zaak rond zijn en het vonnis uitgesproken. Hiermee is een sluitend geheel van procedures en termijnen ingevoerd op drie niveau's, die er moeten voor zorgen dat een vergunning definitief goed- of afgekeurd wordt binnen het jaar, in tegenstelling tot de eerdere procedure die, met inbegrip van de Raad van State, vele jaren kon duren.
In de gewone procedure wordt nu een stedenbouwkundige vergunning in de regel afgegeven:
- door het college van burgemeester en schepenen : binnen 75 dagen (te vermeerderen met 14 dagen voor het volledigheids- en ontvankelijkheidsonderzoek);
- in beroepsinstantie door de deputatie: binnen 75 dagen;
- ruim drie maanden daarna kan het beroep bij de Raad voor vergunningsbetwistingen afgewerkt zijn.
De termijn van één jaar wordt in de gewone procedure enkel overschreden bij verkavelingsvergunningen, aangezien het college van burgemeester en schepenen en de deputatie in die gevallen telkens over een termijn van 150 dagen beschikken. Die (iets) langere termijnen worden verantwoord door de ruimere relevantie van de verkavelingsvergunning, die niet enkel gevolgen heeft voor de verkavelaar, maar ook doorwerkt naar de toekomstige eigenaars van de kavels.
Wanneer de Raad voor Vergunningsbetwistingen de onregelmatigheid van een beslissing vaststelt, kan hij in hoofdzaak alleen de bestreden vergunningsbeslissing vernietigen. Hij kan wel het bestuur, dat de vernietigde beslissing nam, bevelen om een nieuwe beslissing te nemen, onder de door de Raad gestelde voorwaarden, die vooral betrekking hebben op de termijn waarbinnen de nieuwe beslissing genomen moet worden, op de rechtsregelen en rechtsbeginselen die bij de nieuwe beslissing gehonoreerd moeten worden en op de onregelmatige of kennelijk onredelijke motieven die niet bij de nieuwe beslissing kunnen worden betrokken. De Raad kan echter niet de exacte voorwaarden opleggen waaraan de vergunning moet voldoen. Deze beoordeling - opportuniteitsbeoordeling van de zaak genoemd - komt alleen aan het bestuur toe.
Een overzicht met "welke weg volgt uw aanvraag voor stedenbouwkundige vergunning?", voor aanvragen ingediend vanaf 1 september 2009, op de website van Ruimtelijke Ordening
Beslissingen van de Vlaamse regering ivm de Raad voor Vergunningsbetwistingen
- vrijdag 24 juli 2009: benoeming voor het leven vier raadsleden, met ingang van 1 september: Eddy Storms, Hilde Lievens, Filip Van Acker en Anne Mie Draye
- vrijdag 18 september 2009: goedkeuring van het ontslag van Anne Mie Draye, die beslist heeft om het ambt van raadslid niet op te nemen (over een vervangende benoeming heb ik tot vandaag niets gelezen, noch over deze van een vijfde raadslid, zoals de codex RO voorziet)
- vrijdag 20 november 2009: bekrachtiging van het reglement van orde van de Raad
- vrijdag 4 december 2009: het ambt van raadslid moet normaal voltijds wordt uitgeoefend en is onverenigbaar met een andere bezoldigde beroepsactiviteiten, tenzij de Vlaamse Regering een afwijking toestaat. Dat kan alleen voor een deeltijds lesgeverschap aan een instelling voor hoger onderwijs. De Vlaamse Regering keurt de afwijking goed die raadslid Eddy Storms toestaat deeltijds les te geven aan het departement Handelswetenschappen en Bestuurskunde van de Hogeschool Gent en de faculteit Rechtsgeleerdheid van de KU Leuven.
Woensdag 13 jan '10
ACTUELE VRAAG van de heer Lode Ceyssens tot de heer Philippe Muyters, Vlaams minister van Ruimtelijke Ordening, over bouwberoepen die door de bestendige deputatie ingewilligd worden op basis van aangepaste plannen
Lode Ceyssens (Cd&V): ik las dit weekend een artikel in De Tijd met als subtitel: “Walen hebben minder last van regularitis”. Het was misschien een ongenuanceerde subtitel, maar het hoeft toch geen betoog meer dat we er ons in Vlaanderen van bewust zijn dat we inspanningen moeten proberen te leveren om een aantal procedures te vereenvoudigen of te verkorten. Een van de inspanningen die het Vlaams Parlement wil leveren, is de oprichting van de adhoccommissie ‘Versnelling Maatschappelijk Belangrijke Investeringsprojecten’. Eergisteren was er een vrij interessante gedachtewisseling met de Duitse professor Backes over zijn studie over besluitvormingsprocessen in verschillende Europese deelstaten. (Zie meer info hieronder: *) Wat voor mij in het oog sprong, was een aanbeveling van de commissie-Elverding, genaamd ‘bestuurlijke lust’. Ik weet niet of dit een modewoord zal worden, maar het komt erop neer dat men in beroepsprocedures, waarbij men een bepaalde fout in een besluit aantreft, het besluit niet onmiddellijk vernietigt, maar de ruimte laat om een aantal aanpassingen in te lassen. Ik begreep dat men die praktijk soms al toepast in de Duitse rechtspraak. Ik zou durven stellen dat dit principe in Vlaanderen in het verleden ook al is toegepast, onder meer door de bestendige deputaties die beroepen hebben ingewilligd op basis van gewijzigde plannen. Er is een klein foutje vastgesteld, maar de aanvrager wordt niet gevraagd om helemaal opnieuw te beginnen, maar om een gewijzigd plan te maken. Ik stel vast dat het Agentschap Ruimte en Erfgoed hiertegen in beroep gaat, zelfs voor dossiers waarvoor het onlogisch lijkt. Ik heb bijvoorbeeld een dossier waar het oorspronkelijke volume wordt ingekrompen op vraag van de bestendige deputatie en waar destijds in het openbaar onderzoek geen enkel bezwaar is ingediend, maar waar men nu zegt dat men legistiek beroep indient bij de Raad voor Vergunningenbetwistingen, omdat destijds het openbaar onderzoek niet over het ingekrompen dossier ging. Mijnheer de minister, ik neem aan dat u het met me eens bent dat dergelijke oplossingsgerichte maatregelen in de toekomst moeten blijven worden nagestreefd, en dat we ook onze administraties hiervan moeten overtuigen.
Minister Philippe Muyters (N-VA): Ik ben het helemaal met u eens dat het veel beter en ook goed zou zijn voor de versnelling van procedures, dat elk niveau zijn verantwoordelijkheid kan nemen en dat er een mogelijkheid is om kleine aanpassingen door te voeren. Ik sta helemaal achter het principe dat u zelf ook naar voren schuift. Maar in de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening – artikel 4, punt 3, punt 1, paragraaf 1 – staat uitdrukkelijk dat aanpassingen aan planning en voorwaarden aan planning alleen kunnen worden opgelegd door eerste administratieve aanleg. Mocht de bestendige deputatie dus een aanpassing doen, dan worden die vergunning zeer gevoelig voor beroep bij de Raad voor Vergunningenbetwistingen of bij de Raad van State. Ik denk dus dat we vandaag spijtig genoeg niet anders kunnen dan het niet te aanvaarden. De enige oplossing die er is, is een voorstel van wijziging van de codex door te voeren. Ik heb begrepen dat een aantal parlementsleden een initiatief nemen om te komen tot een aantal voorstellen tot wijziging van de codex. Ook deze bepaling zou worden gewijzigd zodat in de toekomst kan worden doorgevoerd wat u en ik wensen.
Lode Ceyssens: We zitten op dezelfde golflengte. Er is een vrij breed draagvlak te vinden om die aanpassing te doen. Alleen betreur ik dat het in deze overgangsfase, waarin we allemaal nog zoeken hoe we dit zo efficiënt mogelijk kunnen doen, opnieuw ons eigen agentschap is dat in beroep gaat tegen een provinciale administratie. Dat is voor zowel de aanvrager als voor onze eigen administratie tijdverlies.
Dirk Van Mechelen (VLD): Mijnheer de minister, in het verleden hebben wij, wanneer aanpassingen door de deputatie een verbetering van het dossier betekenden, geprobeerd daar soepel mee om te gaan. Toen was het de minister die uiteindelijk het ministerieel besluit tot goedkeuring al dan niet trof. De essentie is dat, wanneer je een wijziging doorvoert aan een dossier dat het voorwerp heeft uitgemaakt van een openbaar onderzoek, de goedkeuring van dit dossier gewijzigd is. Het zal in de toekomst toekomen aan de Raad voor Vergunningsbetwistingen om niet langer te oordelen over de opportuniteit van de wijzigingen die werden doorgevoerd door de deputatie maar wel over de legaliteit ervan. Heeft de deputatie met andere woorden het nodige respect betuigd voor het openbaar onderzoek? Ik vraag alleen om, indien er wijzigingen worden doorgevoerd, daarvoor op te letten.
Marc Vanden Bussche (LDD): Ik zit op dezelfde golflengte als de heer Van Mechelen. Daar komt nog bij dat in dat geval zou moeten worden teruggekoppeld naar de lokale overheden. Dat wordt soms niet gedaan. Als er een wijziging wordt voorgesteld, moet ook daar worden afgetoetst wat het standpunt is van de lokale overheid.
Minister Philippe Muyters: Ik heb daar niet meteen nog iets aan toe te voegen. Het komt aan het parlementaire initiatief toe om hiermee rekening te houden. Ik ben het helemaal eens met de gemaakte opmerkingen.
Wilfried Vandaele (N-VA): Wij kennen allemaal voorbeelden van dossiers waarvoor de gemeente een vergunning weigerde en waarvoor de deputatie in beroep de vergunning verleent op basis van nieuwe elementen die aan het dossier werden toegevoegd. Het is toch een vreemde gang van zaken. Uiteindelijk neemt de gemeente geen kennis van die nieuwe elementen en kan zij daar dan ook geen oordeel over vellen. Als men in de ruimtelijke ordening steeds meer verantwoordelijkheid bij de gemeenten legt, wat is gebeurd met het decreet over de Vlaamse Codex, dan zou het hier een omgekeerde beweging zijn indien men zou zeggen dat er aan de dossiers nieuwe elementen mogen worden toegevoegd waarover de gemeenten zich niet meer kunnen buigen.
Lode Ceyssens: Ik pleit er helemaal niet voor om op het niveau van de bestendige deputatie de plannen helemaal om te gooien. Het gaat mij om de finesses van een aantal dossiers, een aantal kleine struikelblokken. Als we die op een tweede bestuurlijk niveau kunnen oplossen in plaats van het hele dossier terug naar voren te schuiven, hebben wij allemaal tijd gewonnen.
(Plenaire vergadering nr. 18 (2009-2010) – 13 januari 2010)
(*) Snellere procedures: Nederlandse ervaringen in het Vlaams parlement
De Commissie ‘Versnelling Maatschappelijk Belangrijke Investeringsprojecten’ van het Vlaams parlement nodigde begin deze week prof. Chris Backes uit Nederland uit. Die maakte een vergelijkende studie over besluitvormingsprocessen in een aantal EU-lidstaten. De discussie over te lang aanslepende procedures speelt immers niet alleen in Vlaanderen of Nederland, maar in heel Europa.
Eén van de voornaamste bevindingen van de professor is dat ruime en grondige participatie aan het begin van een proces een must is. Door burgers, verenigingen en belangengroepen bij de start van een proces de kans te geven eigen voorstellen of alternatieven te formuleren, ontstaat een maatschappelijk debat en kan de basis gelegd worden voor een breder draagvlak voor moeilijke ingrepen. Dit vraagt een neutrale communicatie en een onafhankelijk procesmanagement, los van het bevoegd gezag. Een brede participatie in een open proces kost weliswaar veel tijd en is intensief, maar is wel bepalend voor het vlotte verloop van de rest van het proces. De tijd die extra geïnvesteerd moeten worden in de conceptfase van een project, wordt zo in de uitvoeringsfase terugverdiend.
Wat de juridische kant van de zaak betreft, pleitte de professor ervoor om administratieve rechtbanken meer bevoegdheden te geven. Bij ons kan de Raad van State een beslissing enkel schorsen of vernietigen. In Duitsland kan een administratieve rechter ook feitelijke maatregelen opleggen (bv. een geluidsmuur bouwen) of de rechtszaak tijdelijk opschorten om een administratieve procedurefout recht te zetten. Zo kan voorkomen worden dat een procedure helemaal opnieuw van voor af aan moet overgedaan worden, terwijl derden toch hun rechten kunnen laten gelden.
(Erik Grietens, in BBL-Beleidsbabbel van vrijdag 15 jan '10)