Pleidooi voor een pedagogisch optimisme in Vlaanderen: iedereen gediplomeerd!

"Nog even en een universitair diploma is even gewoon als dat van het secundair. En even weinig waard." (Rik Torfs, Het Laatste Nieuws, 23/03/2006)

Hersenen; het is de enige grondstof die Vlaanderen rijk is. Naast een vaak geciteerde boutade, ook een waarheid als een koe. Logisch dus dat Flanders Future zowat valt of staat met haar onderwijs. We hebben op dat terrein dus veel te verliezen en derhalve torsen onze Vlaamse onderwijsministers een verpletterende verantwoordelijkheid bij het uitstippelen van dat onderwijsbeleid en de handhaving en bevordering van de onderwijskwaliteit. Jaarlijks schuift zowat 40 % van de Vlaamse begroting naar onderwijs. Voor dat forse bedrag mogen er af en toe best wel eens een paar kritische kanttekeningen bij het beleid worden geplaatst, zou je denken. Een gezond kritische houding tegenover de politieke verantwoordelijken en hun beleid: het zou tot de core business van elke academicus moeten horen. Maar dat laatste was blijkbaar buiten de zere tenen van de onderwijsminister gerekend.

Populistisch

Eind september maakte ik in een opiniestuk in De Standaard enkele kritische bedenkingen bij o.a. de nieuwe outputfinanciering voor het hoger onderwijs (DS, 27/09/2007, p. 22). De Vlaamse Onderwijsminister wil immers, in het kielzog van zijn gelijkekansenbeleid, meer mensen aan een hoger diploma helpen en de minister maakt zich sterk dat dat kan zonder ontwaarding van diploma's. En dus worden de universiteiten voortaan gedeeltelijk gefinancierd op basis van het aantal afgeleverde gediplomeerden. Een weinig doordachte beleidsmaatregel, zo stelde ik, die alles behalve bevorderlijk is voor de onderwijskwaliteit. Hoe bezorg je immers aan substantieel meer mensen een diploma hoger onderwijs, zonder fundamentele toegevingen te doen inzake kwaliteit en vereisten? Eenvoudig, zo redeneert de minister; door de verantwoordelijkheid voor het slagen in eerste instantie bij het academisch personeel te leggen. "Professoren die buizen leveren immers niet het bewijs dat ze goede proffen zijn", zo poneerde Vandenbroucke in dit verband opvallend populistisch. "Professoren bij wie de studenten op grote schaal slagen leveren daarmee evenmin het bewijs van hun pedagogische kwaliteit", zo zou de al even banale tegenredenering kunnen luiden.

Ik koester een natuurlijk wantrouwen tegenover politici die evidenties met veel ampleur tot inzet van hun beleid proclameren. Gelijkekansenbeleid is zo'n stellige evidentie. Geen weldenkend mens die immers pleit voor een beleid van ongelijke kansen. Het beleid van Vandenbroucke steunt evenwel fundamenteel op een drogredenering, met niet alleen nefaste gevolgen voor de onderwijskwaliteit, maar ook voor een gezonde, professionele onderwijscultuur, zo luidde mijn stelling: door de verantwoordelijkheid voor het behalen van een diploma niet langer bij de student, maar hoofdzakelijk bij het academisch personeel te leggen, stimuleer je vooral onder zwak gemotiveerde en begaafde studenten een cultuur die het diploma op den duur gaan ervaren als een verworven recht in plaats van een certificaat dat borg staat voor kennis, competentie en prestatie. Met een ontwaarding van diploma's en een toenemende juridisering van de onderwijscultuur als onvermijdelijk gevolg. Binnen die cultuur wordt het recht op een hoger diploma zonodig afgedwongen via beroepsprocedures of met behulp van advocaten die in het juridisch aanvechten van onvoldoendes vooral opportuniteiten zien voor nieuwe, lucratieve business.

Gelijke uitkomsten

De grootste bedreiging voor 'gelijke kansen' in het onderwijs zou nochtans wel eens het huidige gelijkekansenbeleid zelf kunnen zijn. Als straks het hoger onderwijsdiploma is vergleden naar een voor iedereen quasi veralgemeend recht, zullen prijzige buitenlandse en private kwaliteitsopleidingen, de netwerken van geprivilegieerde gezinnen of hun dure advocaten, de gelijke kansen totaal in de vernieling rijden. Bovendien bega je een enorm onrecht tegenover het getallenteerde en gemotiveerde deel van de studenten, die in ruil voor een dergelijk ondoordacht beleid een minderwaardig universitair diploma ontvangen waarop de professionele markt straks enkel meewarig neerkijkt. Wie wil en kan trouwens nog langer strenge standaarden en hoogwaardige criteria hanteren, indien de minister méér hoger gediplomeerden wil en zijn financieringsenveloppe bijgevolg afstemt op het volume diploma's dat wordt afgeleverd? Wie kan en wil nog strikte kwaliteitsmaatstaven toepassen, binnen een context waarbij het niet-slagen van studenten wordt voorgesteld als een zaak van slechte professoren, en die 'slechte professoren' er bovendien voor zorgen dat de onderwijsinstellingen een deel van hun overheidssubsidies mislopen?

Daartegenover staat dat instellingen die meer diploma's uitreiken, meer subsidies ontvangen. De prof deelt (best) hoge punten uit. Die krijgt daarvoor in ruil positieve evaluatiecijfers van de studenten terwijl de universiteit van de overheid voor verspreiding van diploma's een verhoogde subsidiedotatie ontvangt. Het onderwijsbeleid van Vandenbroucke omvat met andere woorden de mechaniek bij uitstek om iedereen gelijk, beroemd én gelukkig te maken. Binnen die context lijkt het zgn. 'gelijkekansenbeleid' echter eerder op een politiek excuus om de verdere bevoogding van het onderwijs te bewerkstelligen. Dat de realisatie van de beleidsdoelstellingen - i.c. meer hoger gediplomeerden - tegelijkertijd de inflatie van de onderwijskwaliteit in de hand werkt lijkt slechts een bijkomstigheid waarover, volgens Vandenbroucke, enkel onderwijspessimisten zich druk en zorgen maken.

Overigens was er in de oorspronkelijke plannen van Vandenbroucke niet enkel sprake van gelijke kansen, maar ook van "het streven naar gelijke uitkomsten". In de beleidsnota 'Onderwijs en Vorming 2004-2009' van Vandenbroucke lezen we immers: "Het streven naar gelijke uitkomsten (sic) vormt trouwens de rode draad doorheen de vier speerpuntacties die we hierboven hebben besproken." Die hoogst bedenkelijke terminologie werd later ingetrokken, maar de filosofie erachter bleef duidelijk gehandhaafd.

Omgaan met kritiek is geen makkie

Totdaar in een notedop de ampleur van de discussie in de media. Daags nadien werd de bijdrage in dezelfde krant gecounterd met een ranzige repliek van professor Hooghe (KUL), die middels een hoogst 'originele' lectuur van de oorspronkelijke opiniebijdrage, de geformuleerde kritiek op het onderwijsbeleid van minister Vandenbroucke afwimpelde als een achterhaalde, elitaire en racistische stuiptrekking van een lid van de oude garde van blanke mannen van middelbare leeftijd (DS, 28/09/2007, p. 26). Het leverde hem een officiële klacht op voor smaad, laster en eerroof.

Maar ook de minister zelf geraakte in zijn reactie in De Standaard van 4 oktober niet verder dan een gebrekkige metafoor onder de titel "De tienkamp is geen makkie" (DS, 04/10/2007, p. 24). Dat opiniestuk eindigde met een teleurstellende plot waarin de onderwijswereld volgens Vandenbroucke uiteenvalt in twee strekkingen: zij die het onderwijsbeleid kritisch bejegenen - "de pedagogische pessimisten" genoemd - en de voorstanders van Vandenbroucke's beleid - oftewel "de pedagogische optimisten". Voor een minister met een prestigieus doctoraatsdiploma uit Oxford, toch opvallend zwak intellectueel weerwerk op de kritiek die er richting zijn beleid uitkwam.

In dit verband was het trouwens opvallend om te zien hoe de onderwijsminister op 1 oktober ll. in z'n officiële academische openingstoespraak aan de universiteit van Gent dweepte met de lasterlijke bijdrage van professor Hooghe (DS, 28/09/2007, p. 26). De minister bejubelde er het potsierlijke opiniestuk van de KUL-professor als "een schitterend betoog". Eerder was dezelfde bijdrage door weldenkend en welbekend Vlaanderen unisono beoordeeld als 'compleet naast de kwestie'. Daarmee was meteen zonneklaar dat de oorspronkelijke bijdrage in De Standaard over de nivellering van de onderwijskwaliteit, de ontwaarding van de diploma's en de oneigenlijke politieke invulling van de notie 'gelijke kansen' een erg gevoelige snaar had geraakt bij de minister. En blijkbaar stonden de inhoudelijke tegenargumenten danig snel op rantsoen, dat er ijlings naar persoonlijke afrekeningstactieken moest worden gegrepen om de kritiek op het beleid te smoren. Ook een uitgebreid beleidskritisch interview in Klasse met mijzelf, voorzien voor het novembernummer (Klasse, november 2007, nr. 179), over dezelfde problematiek sneuvelde op het allerlaatste moment en werd vervangen door paginagrote kleurenfoto's van pinguins, opgesmukt met propagandistische citaten die de krachtlijnen uit het beleid van de onderwijsminister scandeerden. (NvdR: dit interview hebben we op deze website geplaatst, zie afzonderlijk artikel Hier.... Omgaan met kritiek op zijn beleid is blijkbaar geen makkie voor de minister.

Manklopende kwaliteitscontrole

Kritiek is er eveneens op de manklopende kwaliteitsbeleid in het hoger onderwijs. Volgens de onderwijsminister staan de zogenaamde visitatiecommissies garant voor het waarborgen van de kwaliteit. Dat laatste is hoogste bedenkelijk als je je realiseert dat deze commissie om de zes jaar in nauwelijks 48 uur moet trachten door te dringen tot de realiteit die achter de zelfevaluatierapporten van de instellingen schuilgaat. In de beoordeling van nogal wat visitatiecommissies wordt de personeelsondersteuning vaak aangeduid als hét pijnpunt bij uitstek. In mijn eigen vakgroep, kreeg de personeelsondersteuning bij de eerste visitatie een fikse onvoldoende. Zes jaar later wordt in het nieuwe rapport van de visitatiecommissie gesteld dat "de kwantiteit van het personeel als onvoldoende wordt beoordeeld voor de K.U.Leuven, Ugent, Universiteit Antwerpen en Vrije Universiteit Brussel (p. 53). "De financiële middelen waarover zij beschikken zijn zonder uitzondering bijzonder beperkt. De commissie betreurt dit ten zeerste." (p. 53). Blijkbaar lukt het de onderwijsminister dus zelf niet om de structurele voorwaarden te creëren waarbinnen gelijke-kansen en kwaliteit worden gerealiseerd. Onderwijs is en blijft bovenal people's business. Een onderwijsbeleid dat er in zes jaar tijd niet in slaagt stucturele personeelsonderbezettingen weg te werken die van experten een veelzeggende 'onvoldoende' krijgen, moet dan ook zonder meer als 'niet-geslaagd' worden geproclameerd.

Frank Thevissen, Hoofddocent Strategische Bedrijfscommunicatie en Politieke Marketing, Vakgroep Communicatiewetenschappen, VUB

Deze tekst betreft een opinie ten persoonlijke titel.

Bijlagen:

- Opiniestuk prof. Thevissen, DS 27.09.07

- Reactie prof. Hooghe, DS 28.09.07

- Reactie minister Vandenbroucke, DS 4.10.07

- Pinguins in Klasse, november 2007, nr. 179

BijlageGrootte
opiniethevissen.pdf78.15 KB
Reactie Marc Hooghe.pdf91.59 KB
reactie Vandenbroucke.pdf82.46 KB
Klasse, met pinguins.pdf735.1 KB