Ontvang de nieuwsbrief op regelmatige basis
In 2008 zal het vijftig jaar geleden zijn dat het ‘Schoolpact’ werd ondertekend door de toen drie ‘traditionele’ nog unitaire politieke partijen. Het Schoolpact voorzag meer geld voor het Rijksonderwijs dan voor de andere scholen. Pas in dat ‘jubileumjaar’ 2008 wordt voor alle scholen van alle netten zogenaamd ‘de lat gelijk gelegd’ voor de werkingsmiddelen. Toch moeten daar vragen bij gesteld worden.
Minister Vandenbroucke kondigde op 26 november ’07 aan dat vanaf het schooljaar 2008-2009 alle basis- en secundaire scholen recht hebben op evenveel werkingsmiddelen, en deze niet meer afhankelijk zijn van het onderwijsnet waartoe een school behoort. Met deze middelen kunnen scholen lesmateriaal aankopen, uitstappen organiseren, verwarming betalen, … (Behalve werkingsmiddelen ontvangen scholen ook omkaderingsmiddelen om personeel aan te stellen en is er een afzonderlijke financiering om scholen te bouwen.) De minister noemt de nieuwe financiering "het koninginnenstuk van zijn onderwijsbeleid, een beleid dat volledig in het teken van gelijke kansen staat". De krantentitels die de minister napraten, in de stijl van ‘Lat in onderwijs ligt gelijk’ zijn echter niet helemaal juist. Er blijven nog oude verschillen, en er worden nieuwe ingevoerd.
Budget in drie delen opgedeeld
De werkingsmiddelen voor alle basis- en secundaire scholen stijgen volgend schooljaar met 125 miljoen euro en bedragen dan ruim meer dan 800 miljoen euro (+ 18,5%). Ze bestaan dan uit een basisfinanciering, eventueel te verhogen met een toeslag op basis van de ‘leerlingenkenmerken’ voor scholen met leerlingen met een sociale achterstand. Vandaag is het net waartoe een school behoort doorslaggevend bij de verdeling van de werkingsmiddelen, er wordt per leerling een verhouding 100/76 aangehouden tussen het Gemeenschapsonderwijs en de andere netten.
1. Het gros van de middelen (basisfinanciering) wordt vanaf 2008 lineair verdeeld volgens bepaalde schoolkenmerken. Deze "basisfinanciering" vertrekt van een bepaald aantal punten per onderwijsniveau, studiegebied en onderwijsvorm (bv. lager onderwijs weegt zwaarder dan kleuteronderwijs, tso weegt zwaarder dan aso, want in tso zijn er meer kosten voor basisuitrusting), onafhankelijk tot welk net een school behoort.
2. Die ‘lat’ voorziet echter nog steeds een voorkeurbehandeling voor het Gemeenschaps- en ander officiëel onderwijs. Van het totale budget werkingsmiddelen worden twee voorafnames voor ‘objectieve verschillen’ gedaan, goed voor 7,5% extra:
· officiële scholen (Gemeenschapsonderwijs en officiëel gesubsidieerd onderwijs) zijn wettelijk verplicht meerdere levensbeschouwelijke vakken aan te bieden, en krijgen per leerling in de lagere scholen 4,5% extra om de kost van die vakken te dekken.
· omdat het de vrije schoolkeuze moet garanderen, krijgt het Gemeenschapsonderwijs per leerling 3% werkingsmiddelen extra om de kost daarvan te dekken.
3. Naast de basisfinanciering kan nog een extra bedrag komen in functie van de ‘leerlingenkenmerken’. Op basis van wetenschappelijk onderzoek is besloten dat 4 kenmerken goed voorspellen welke leerlingen gemiddeld minder kans op succes hebben, dus voor welke leerlingen scholen extra inspanningen moeten leveren:
· kinderen van lageropgeleide ouders
· kinderen die thuis geen Nederlands spreken
· kinderen uit gezinnen met een laag inkomen
· kinderen die in een kansarme buurt wonen.
De scholen moeten nu alle ouders bevragen die met een verklaring op eed moeten melden of de moeder al of niet een diploma van secundair onderwijs heeft (invulling 1e criterium: ‘kinderen van lageropgeleide ouders’) en of er thuis niemand of maximaal één gezinslid Nederlands spreekt met de leerling, om het ‘sociale profiel’ van een school te bepalen en een deel van de budgetten op basis van de leerlingenkenmerken van de schoolbevolking te bereken. (Is een dergelijke bevraging wel conform met de wet op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer?). De nieuwe regeling voor het bepalen van het bedrag van de werkingsmiddelen brengt in elk geval een grotere administratieve rompslomp mee voor de scholen.
Dit deelbudget wordt verdeeld volgens die 4 leerlingenkenmerken:
· in het basisonderwijs wordt volgend schooljaar 14% van de werkingsmiddelen verdeeld, louter op basis van leerlingenkenmerken. Dat percentage loopt tegen 2017 op tot 15,5%. Elke indicator weegt bij de verdeling even zwaar.
· in het secundair onderwijs bedraagt dit aandeel volgend schooljaar 10% en het stijgt tegen 2017 naar 11%. De indicator "buurt" zal slechts één tiende uitmaken van de 10 of 11% (leerlingen in secundair onderwijs verplaatsen zich gemakkelijker).
De minister heeft hierover nu een akkoord met de onderwijskoepels, maar moet dit nog omzetten in ontwerpen van decreet die nog door het Vlaams parlement moeten worden goedgekeurd.
Gevolgen Lambermont
Dat Vandenbroucke nu meer geld beschikbaar heeft, heeft alles te maken met de Lambermont staatshervorming van 2001, toen het Franstalig onderwijs niet voldoende geld had om zijn duur systeem te betalen. In plaats van daar te rationaliseren werd in de meest traditionele Belgische wafelijzerstijl het compensatieprincipe toegepast: De Vlaamse en de Franse Gemeenschap kregen er een kwak geld bij, samen goed voor jaarlijks 2,24 miljard euro tegen 2010. (Volgens een krantenartikel uit 2001 gaat het om volgende bedragen: De Franse Gemeenschap krijgt volgend jaar 3,2 miljard frank bij. Dat bedrag loopt op tot 14 miljard frank extra in 2005, 33,5 miljard frank in 2010 en 89 miljard frank in 2020. Omdat communautaire onderhandelingen werken als een wafelijzer krijgt Vlaanderen naar verhouding ook veel extra geld: 4,8 miljard frank in 2002, 21,6 miljard frank in 2005, 57 miljard frank in 2010 en 161 miljard frank in 2020.) Dat geld komt allemaal uit de federaal geïnde belastingopbrengsten, die verdeeld worden over gewesten en gemeenschappen. De nieuwe inkomsten voor de deelstaten zijn daardoor onvermijdelijk minder inkomsten voor de federale overheid. (De verdeeldheid over goedkeuring van het Lambermontakkoord binnen de VU leidde ook tot het uiteenvallen van die partij in Spirit en NV-A). Het slecht beheer van het Franstalig onderwijs zorgt er nu dus voor dat Vandenbroucke en andere Vlaamse ministers geschenken kunnen uitdelen...
Waarom het budget met 20% verhogen?
Een socialistisch minister die schijnbaar Sinterklaas speelt voor het vrij onderwijs is niet alledaags. Maar toch moeten er een paar vragen gesteld worden bij deze cadeau, die hopelijk aan bod komen bij de parlementaire bespreking.
1. Er is geen rechtvaardiging te vinden voor de verhoging van het budget voor de werkingsmiddelen met bijna 20%. Waarom kunnen die niet verlaagd worden tot het niveau van de vrije scholen, in plaats van ze voor allen op te trekken tot boven het huidig niveau van het Gemeenschapsonderwijs?
2. Want de verhoging van de werkingskosten betekent niet alleen dat de niet-gemeenschapsscholen meer geld krijgen om de lat gelijk te leggen, maar ook de gemeenschapsscholen krijgen meer geld. In de door de minister aangehaalde voorbeelden stijgen de bedragen voor de werkingskosten van die scholen met 11% tot bijna 60%. (Zie bijlage)
3. Wat moeten en zullen die scholen met sociaal achtergestelde leerlingen die tot 60% meer werkingsmiddelen krijgen hiermee aanvangen? De temperatuur wat hoger zetten omdat er veel leerlingen van mediterane oorsprong tussen zitten? Meer schooluitstappen doen? Die verhoging van 60% voor scholen met een hoge score volgens de ‘gelijkekansenbonus’ van Vandenbroucke brengt de vergoeding voor werkingskosten van ongeveer 500 euro (vrije scholen) of 600 euro (Gemeenschapsscholen) op 800 tot bijna 1.000 euro per leerling. Is dat nodig om ‘gelijke kansen’ te creëren? (En geen nood: een Gemeenschapsschool met veel ‘goede’ leerlingen die volgens het nieuwe schema minder zou krijgen, hoeft niets te vrezen. Een compensatiefonds zal het verschil aanvullen tot het huidig niveau.)
4. Zijn de ‘objectieve verschillen’ ten gunste van de Gemeenschapsscholen wel 7,5% waard. Waarom krijgt men voor het aanbieden van meerdere levensbeschouwelijke vakken meer geld? Dit verhoogt toch niet het aantal lesuren, of de stookkosten? Welke meerkosten heeft een Gemeenschapsshool op het vlak van werkingskosten om ‘de vrije keuze’ te garanderen?
5. Door meer werkingsmiddelen te geven aan scholen met een ‘kansarm publiek’ hoopt de minister dat de ‘betere’ scholen aangezet zullen worden om sociaal achtergestelde leerlingen aan te trekken. Waarom zouden ze dat doen? De werkingsmiddelen kunnen hierdoor wel stijgen, maar als de hogere werkingsmiddelen daadwerkelijk nodig zijn voor meerkosten door sociaal achtergestelde leerlingen aan te nemen, is de aansporing op zijn minst minimaal. Tenzij de meerkosten lager zijn dan de hogere toelage natuurlijk, maar dan krijgen de scholen met probleemkinderen meer geld dan ze nodig hebben. Of zal men nu leerlingen gaan ronselen met een laag sociaal profiel om zijn werkingsmiddelen te verhogen?
6. Is het geen schending van de privacy alle ouders aan te schrijven om het diploma van de moeder te kennen, en of er iemand is die met de leerling thuis Nederlands spreekt?
7. Moet de kansarmoede niet bestreden worden via een betere omkadering, in plaats van met meer werkingsmiddelen?
We kennen het stokpaardje van de minister voor ‘gelijke kansen’. Maar hoeveel draagt deze meeruitgave van 125 miljoen euro bij tot meer gelijke kansen? Een budgetverhoging van bijna 20% zou daar wel enig antwoord mogen op geven.
| Bijlage | Grootte |
|---|---|
| financiering-voorbeeldscholen.pdf | 63.82 KB |