Ontvang de nieuwsbrief op regelmatige basis
Deze week is de indruk ontstaan dat het eindspel in de mislukte preformatiepoging van Elio Di Rupo enkel draaide om het al dan niet gefaseerd herfinancieren van Brussel en de koppeling daarvan aan Brussel-Halle-Vilvoorde en de financieringswet. In werkelijkheid is de inzet veel groter, en staan vitale Vlaamse belangen op het spel, die beduidend verder reiken dan het louter budgettaire.
Uit de gedetailleerde opsomming van Elio Di Rupo’s ultieme voorstellen in Le Soir van 30 augustus blijkt wat de preformateur voor ogen had: niet minder dan een grondige hertekening van de Brusselse instellingen, ten nadele van Vlaanderen. Het verbod op taalgemengde lijsten in Brussel zou worden afgeschaft. De rol van de gemeenschappen in Brussel zou verder worden uitgehold, onder meer via de overheveling van de bevoegdheden voor toerisme en sportinfrastructuur naar het Brussels Gewest. En natuurlijk zouden ook de taalwetten in Brussel worden ‘vereenvoudigd’, lees: versoepeld. Geen wonder dat CD&V en de N-VA feestelijk hebben bedankt voor dit ultieme ‘compromis’.
Uiteindelijk komt het altijd op hetzelfde neer: Brussel is het alfa en omega van het communautaire conflict in België. Als de staatshervorming in het verleden zo lang heeft aangesleept, dan was dat hoofdzakelijk het gevolg van de onenigheid over het statuut van Brussel. In 1970 werd enkel het principe van een driedelige gewestvorming ingeschreven in de grondwet, maar het heeft geduurd tot 1988-89 vooraleer er een akkoord was over de bevoegdheden, de grenzen en de instellingen van het Brussels Gewest. Het probleem Brussel werd bijna twintig jaar lang vergiftigd door de mislukte verkiezingen van de Brusselse agglomeratieraad in 1971. De bescherming van de Vlaamse minderheid in Brussel werd toen gesaboteerd door het FDF, dat een aantal ‘nep’-Vlamingen liet verkiezen op zijn lijsten.
In 1988 wilden de Vlamingen waterdichte garanties dat de Franstaligen die perfide truc niet opnieuw zouden kunnen gebruiken. Eén daarvan was het verbod op taalgemengde lijsten: de Brusselse politici moeten kiezen tussen hetzij een homogeen Nederlandstalige hetzij een homogeen Franstalige lijst. Nadien kunnen ze die keuze niet meer veranderen. Dat systeem heeft ertoe geleid dat de leden van de Nederlandse taalgroep in het Brussels Parlement stevig verankerd zitten in de Vlaamse partijen. Zij vormen als het ware het kanaal waarlangs de Vlaamse partijen het beleid in het Brussels Gewest mee kunnen sturen.
Door een afschaffing van dat verbod op taalgemengde lijsten door de strot van de Vlamingen te duwen, zou Di Rupo een van de belangrijkste hoekstenen van het compromis van 1989 onderuit hebben gehaald. Wanneer je de schotten tussen de Nederlandstalige en de Franstalige lijsten weghaalt, ontstaat een electorale dynamiek waarbij uiteindelijk de Franstalige partijen zullen beslissen welke Vlaamse politici worden verkozen en minister mogen worden. De Vlaamse partijen zullen dan hun politieke hefboom in Brussel kwijt zijn, en Brussel zal meer dan ooit een vreemde mogendheid worden waar de Vlaamse politici amper vat op hebben. En als je het Brussels Gewest daarbovenop nog eens versterkt met extra middelen en bevoegdheden, dan is het Vlaamse rampscenario compleet.
Het vervelende is dat de Vlamingen in het dossier van de taalgemengde lijsten heel zwak staan. Ook bij de Vlaamse Brusselaars gaan immers steeds meer stemmen op om af te stappen van de institutionele tweedeling tussen Frans- en Nederlandstaligen. De jongere generaties Vlaamse Brusselaars identificeren zich steeds meer met Brussel en steeds minder met Vlaanderen, wat overigens - laat dat duidelijk zijn - hun goed recht is. In de ogen van die nieuwe generatie Brusselaars staat de institutionele tweedeling haaks op het pluriforme en multiculturele karakter van de Brusselse metropool. Zelfs de huidige Vlaamse minister voor Brusselse Aangelegenheden, Pascal Smet (sp.a), is een vurig voorstander van taalgemengde lijsten in Brussel. In die omstandigheden dreigt de verdediging van het institutionele status-quo van 1989 een moeilijk houdbare positie te worden voor de Vlamingen.
Het is een waarheid als een koe, maar toch: het Brussels Gewest vormt een eiland in het Vlaams Gewest, en het (wan)beleid in Brussel heeft op tal van vlakken een grote en onmiddellijke impact op de rest van Vlaanderen. Het is voor Vlaanderen dan ook van vitaal belang greep te blijven hebben op dat beleid. Als we de weg op gaan van taalgemengde lijsten en een verdere vervreemding tussen de Nederlandstalige Brusselaars en de andere Vlamingen, dan is het des te belangrijker dat de Vlaamse partijen via een vorm van cobestuur rechtstreeks inspraak krijgen in Brussel. In een echt confederaal scenario houdt dat medebeheer in dat de Vlaamse en de Franstalige deelstaat samen beslissen over Brussel. In een doorgedreven federaal scenario kan dat ook betekenen dat bepaalde bevoegdheden worden overgeheveld naar het Vlaams en het Waals Gewest, maar dat de basiswetgeving federaal blijft voor wat Brussel betreft.
Dit concept van medebeheer zou ook de Belgischgezinden als muziek in de oren moeten klinken. Want in zo’n scenario zou Brussel echt een gemeenschappelijk project kunnen worden waar Vlamingen en Franstaligen samen aan werken, en waarin ze met enthousiasme samen investeren. Maar we mogen ons natuurlijk geen illusies maken. De Franstalige Brusselaars zullen zich met hand en tand verzetten tegen een dergelijk systeem van cobestuur. Omdat dat voor hun onvermijdelijk een zeker machtsverlies zou impliceren, maar ook en vooral omdat ze dromen van een Brussel waar de Vlaamse invloed tot nul wordt gereduceerd. De Vlamingen zullen dat rabiate en onredelijke verzet tegen cobestuur enkel kunnen breken door de herfinanciering van Brussel te gebruiken als onderhandelingshefboom. Anders gezegd: de Brusselse vraag naar meer en véél meer middelen is voor de Vlamingen een kostbaar wapen dat ze niet lichtzinnig of overhaast uit handen mogen geven. In Israël en Palestina streeft men van oudsher naar een vredesakkoord volgens het basisprincipe ‘land for peace’. In Brussel moet dat worden: ‘geld in ruil voor cobestuur’.
Bart Maddens, politicoloog aan de KULeuven
(verscheen als opiniestuk in De Tijd, za 06-09-2010)