Leugens van ruimtelijke planners en professoren

Een aantal ruimtelijke planners en enkele van hun vrienden hebben het niet voor de stedenbouwkundige meldingsplicht. Ze zien alleen nadelen in de vervanging van de vergunnings- door de meldingsplicht. Met leugens en niet gestaafde beweringen proberen ze de meldingsplicht er onderuit te halen. Als de vergunningsplicht terug maximaal geldt, kunnen er natuurlijk meer stedenbouwkundig gediplomeerden aan de slag. De impliciete boodschap: wij willen zoveel mogelijk stedenbouwkundigen werk geven. Zelfs als het dus anders goedkoper kan...

Ruimtelijke planners en enkele van hun vrienden, professoren, landschapsarchitecten en stedenbouwkundige ambtenaren, hebben het niet voor de meldingsplicht die op 1 december '10 in voege trad. In hun opiniestuk 'Kafka in stedenbouw' (De Standaard 14.12.10) zien ze alleen maar nadelen in de zeer beperkte vervanging van de vergunnings- door de meldingsplicht.

De meldingsplicht betreft echt maar een beperkt aantal werken, meestal zonder enige impact op de 'goede ruimtelijke ordening', zoals bijvoorbeeld:
- het openbreken van een gevel voor het plaatsen van een grote raampartij
- interne verbouwingswerken die gepaard gaan met stabiliteitswerken
- oprichting van bijgebouwen, aangebouwd aan een woning, met een maximale oppervlakte van 40m2 per perceel
- zorgwonen
- de verbouwing of uitbreiding van een industrieel of ambachtelijk bedrijf, gelegen in industriegebied.
De meldingsplicht wordt niet ingevoerd voor bovenstaande soort werkzaamheden bij zonevreemde woningen: noch bij het vervangen van dakgebintes of dragende balken van het dak, noch bij het geheel of gedeeltelijk herbouwen of vervangen van buitenmuren of dragende binnenmuren volstaat voor hen een meldingsplicht. Voor hen blijft de vergunningsplicht van toepassing. Aanbouwen van een garage of een veranda: idem.

Hoewel dus de meldingsplicht slechts ingevoerd werd voor werken waarvan men zich moet afvragen waarom die zelfs gemeld moeten worden, zijn de opinieschrijvers van mening dat het een ramp is, met grote gevolgen. Volgens hen zal dit alleen maar tot ongewenste situaties en verwarring leiden, en dwingt Vlaanderen met de invoering van de meldingsplicht de gemeenten "die het goed voor hebben met de ruimtelijke ordening om nog meer regelgevend op te treden." Want: "als burgers en bedrijven niet beter over de randvoorwaarden voor vrijstelling en melding worden geïnformeerd, zullen ze uit onwetendheid overtredingen begaan." Daarmee zou "de klemtoon op controle, handhaving en sanctionering komen te liggen". Dus zou het werk volgens hen verschuiven van stedenbouwkundigen - die vergunningen controleren en goedkeuren - naar de politie of andere verbalisanten. En "daar komt hommeles van," voorspellen ze.

Ze hebben wel een punt dat de meldingsplicht de bureaucratische last voor burger niet vermindert, gezien het dossier hetzelfde is als bij een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning. De bureaucratische last vermindert echter wel duidelijk bij de gemeenten en de stedenbouwkundige ambtenaren, want de overheid kijkt de meldingsdossiers inhoudelijk niet na.

Ze hebben ook wel een punt waar ze stellen dat "de melder nooit zeker is dat een gemeld werk niet toch een stedenbouwkundig misdrijf inhoudt of tot problemen zal leiden, omdat de gemeente niet verplicht is om de melder van mogelijke problemen op de hoogte te brengen. Met andere woorden: burgers en bedrijven worden aangemoedigd werken uit te voeren, waarvan achteraf kan blijken dat die vergunningsplichtig zijn of die, bijvoorbeeld, tot veiligheidsproblemen op industrieterreinen kunnen leiden. In een volgende fase leidt dit ongetwijfeld tot processen-verbaal of aanpassingswerken."
De indiener moet inderdaad zelf nagaan of zijn melding aan de wettelijke eisen voldoet, en de gemeente moet geen mogelijke overtreding signaleren aan de indiener van een melding. Cfr. het Meldingsformulier, rubriek 13, 'Hoe gaat het nu verder met dit formulier':
'Het college van burgemeester en schepenen neemt akte van uw melding en ziet erop toe dat ze ingeschreven wordt in het vergunningenregister. De gemeente kijkt uw dossier niet inhoudelijk na en neemt geen beslissing. U moet zelf nagaan of uw melding aan de wettelijke eisen voldoet. U mag de gemelde handelingen aanvatten vanaf de twintigste dag na de datum van de melding....'

Verder staan er echter - in het stuk over een hele bladzijde - nogal wat leugens en foute of niet onderbouwde beweringen in hun opiniestuk. Enkele voorbeelden:

1. De gemeenten zouden constructies "die in strijd zijn met de regels op het vlak van ruimtelijke ordening, van vergunning kunnen vrijstellen of via meldingsplicht toelaten". Dat zou leiden "tot kafkaiaanse toestanden: wie een vergunning aanvraagt voor een bouwwerk, mag niet van de voorschriften afwijken, maar wie hetzelfde bouwwerk zonder vergunning bouwt, kan wel afwijken." Het is helemaal niet duidelijk wat men moet verstaan onder zaken toelaten via een meldingsplicht die 'in strijd zijn met de regels op vlak van ruimtelijke ordening', en evenmin duidelijk dat men zou kunnen 'afwijken' als men zonder vergunning bouwt. Het klopt in geen geval dat gemeenten soepeler mogen zijn dan decretaal voorzien. Gemeenten mogen alleen strenger zijn, zoals expliciet in Art. 4.2.5 van de Codex Ruimtelijke Ordening bepaald: de gemeenten mogen de vergunningsplicht niet vervangen door een meldingsplicht en ook geen vergunnings- of meldingsplichtige handelingen vrijstellen van de vergunnings- of meldingsplicht. (*)

2. De opinieschrijvers beweren verder dat de nieuwe regelgeving toelaat "dat kleine tuinen in de stad sluiks worden volgebouwd". De aanbouw mag maximaal 40 m2 bedragen, en in de zijtuin moet men tot op 3 meter, in de achtertuin tot op 2 meter van de perceelsgrenzen blijven. Alleen als het hoofdgebouw is opgetrokken op of tegen de perceelsgrens, mag het aangebouwde bijgebouw ook opgetrokken worden op of tegen de perceelsgrens, tegen een bestaand aanpalend gebouw, als de bestaande scheidingsmuur niet gewijzigd wordt. De bouwdiepte van het nieuw op te richten aangebouwde bijgebouw mag niet langer zijn dan de bouwdiepte van het aanpalende gebouw. Met al die beperkingen zal men moeilijk kleine tuinen 'sluiks volbouwen'. Naast die meldingsplicht blijft natuurlijk geldig dat men de privacybepalingen uit het burgerlijk wetboek moet naleven (lichten en zichten).

3. De stedenbouwkundige meldingsplicht zou "tot veiligheidsproblemen op industrieterreinen kunnen leiden". Ze vermelden er niet bij - want dan spreken ze natuurlijk zelf hun bewering tegen - dat de milieuvergunning behouden blijft voor de "grote uitbreidingen van bestaande industriegebouwen", en de meldingsplicht alleen geldt voor de verbouwing of uitbreiding van een bestaand, hoofdzakelijk vergund industrieel of ambachtelijk bedrijf, gelegen in goedgekeurde industriegebieden. Voor de inrichting moet een milieuvergunning klasse I of II verleend zijn, en de gebouwen waarvoor een melding gebeurt moeten in het aanvraagdossier van de milieuvergunning vermeld zijn. Mogelijke 'veiligheidsproblemen' worden dus opgevangen worden in de milieuvergunning, want waarvoor dient die anders?

De expliciete boodschap is duidelijk: de meldingsplicht is een slechte maatregel die alleen problemen en ongewenste, zelfs gevaarlijke situaties oplevert. De impliciete boodschap is echter al even duidelijk: een pleidooi om de meldingsplicht af te schaffen en de vergunningsplicht terug maximaal in te voeren, zodat er meer stedenbouwkundig gediplomeerden aan de slag kunnen. Hun betoog in één zin samengevat: wij willen zoveel mogelijk stedenbouwkundigen werk geven, zelfs als het anders goedkoper kan. En ook als we hiervoor moeten liegen.

Het is een schande dat Tom Coppens, voorzitter Vlaamse Vereniging voor Ruimte en Planning (VRP), meer dan waarschijnlijk de opsteller van het opiniestuk, want eerste ondertekenaar, van leugens gebruik maakt om zijn beroepsgroep aan meer werk te helpen, maar minstens even beschamend dat de universiteitsprofessoren Louis Albrechts (KU Leuven), Georges Allaert (Universiteit Gent), Maarten Loopmans (KU Leuven), Frank Moulaert (KU Leuven), Jan Schreurs (KU Leuven), Pieter Uyttenhove (Universiteit Gent) en Jef van den Broeck (KU Leuven) dit stuk mee ondertekenen. "Het kruim van de academische wereld," tekende mee, volgens de website van de VRP, die uiteraard het opiniestuk ook daar plaatst. De andere ondertekenaars zijn in hoofdzaak ruimtelijke planners, die door te tekenen bewijzen dat ze zich evenmin schamen voor geen leugentje 'om bestwil'. Tenzij ze, net als 'het kruim' hiervoor, zo onbekwaam zijn dat ze de wetgeving niet kennen? De redacteur van de opiniebladzijden van De Standaard hoeft het natuurlijk niet beter te weten dan 'het kruim van de academische wereld'. Ik heb hen onmiddellijk een lezersbrief bezorgd met een samenvatting van dit artikel, maar die werd de volgende dag, vandaag woensdag 15 december, in elk geval nog niet gepubliceerd. Als hij in de volgende dagen nog gepubliceerd wordt, pas ik de tekst hier aan.

Ten gronde zou men natuurlijk best de meldingsplicht helemaal afschaffen, in alle gebieden, en de daarin voorziene werken vrijstellen van stedenbouwkundige vergunning. Zie meer details hierover in punt 1 'Meldingsplicht en vrijstelling vergunningsplicht' in mijn artikel 'Open brief aan onze huidige Keizer-Koster Kris Peeters' .

NOOT: grappig is de foto bij het opiniestuk. Boven het onderschrift 'De regelgeving laat toe dat kleine tuinen in de stad sluiks worden volgebouwd', publiceert De Standaard een foto van een verkaveling rond één straat, helemaal op de buiten, met achter de tuinen alleen maar weiden en landbouwgrond, en achterin nagenoeg elke met hagen omzoomde tuin een tuinhuisje of berghokje. Wellicht geen foto gevonden van het vermeende 'sluiks volbouwen' in de stad?



(*) Art. 4.2.5. Provinciale en gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen kunnen:
1° de vergunningsplichtige handelingen aanvullen;
2° voor meldingsplichtige handelingen een vergunningsplicht invoeren;
3° voor vrijgestelde handelingen een meldingsplicht invoeren.
Provinciale en gemeentelijke stedenbouwkundige verordeningen kunnen de vergunningsplicht niet vervangen door een meldingsplicht. Zij kunnen vergunnings- of meldingsplichtige handelingen niet vrijstellen van de vergunnings- of meldingsplicht.

Reacties

waarom niet alle werken melden?

@ Kristine Verachtert
U schrijft: "Wél richt het artikel zich tegen een regeling waarbij de overheid zelfs niet meer bij machte is om vóór aanvang van de werken de mensen erop attent te maken dat ze een overtreding dreigen te begaan." En daarvan had ik in mijn reactie geschreven 'dat u daarin een punt heeft'. Uw uitleg hier was beter in het opiniestuk in DS gekomen, zonder leugens en foute of niet onderbouwde beweringen.
U schrijft: "Ook richt het artikel zich, samen trouwens met het advies van de VVSG, tegen de versoepelingen voor werken die echt wel veel impact hebben op de leefomgeving."

@ Kristine Verachtert en Filip De Preter
Volgens mij gaat het om twee verschillende zaken die beter uit elkaar moeten gehouden worden:
- al of niet versoepeling, wel of niet een vergunning nodig hebben, en de soms 'kafkaiaanse' toestanden die daaruit voortvloeien, naargelang de gemeente b.v al of niet een verordening maakt. Dat is een van de gevolgen van een complexe wetgeving die alles wil regelen tot in de kleinste details, en dus op lijsten uitkomt van vergunningsplichtige functiewijzigingen, meldingsplicht, vrijstelling van vergunning..
- de onzekerheid bij de burger, omdat hij zelf maar moet weten of wat in zijn melding staat eventueel toch vergunningsplichtig is. In het opiniestuk stond: "Vlaanderen dwingt gemeenten en steden die het goed voor hebben met de ruimtelijke ordening om nog meer regelgevend op te treden. Want als burgers en bedrijven niet beter over de randvoorwaarden voor vrijstelling en melding worden geïnformeerd, zullen ze uit onwetendheid overtredingen begaan." Meer regelgevend optreden zal wel niet helpen dat de burgers beter geïnformeerd zouden zijn en uit onwetendheid overtredingen begaan, in tegendeel denk ik.

Om te verhinderen dat door onwetendheid overtredingen worden begaan, en om veel procedures bij vrederechters te vermijden zou men een heel ander systeem moeten invoeren, waarbij men ELK werk meldt aan de gemeente. Geen 'meldingsplicht' zoals die vandaag bestaat, maar een nota gericht aan de gemeente, ik noem het maar 'melding van geplande werken'. Die zou dan, of onmiddellijk, bij duidelijke en simpele situaties, of binnen de paar dagen moeten antwoorden of er al of niet een vergunning nodig is die dan met de nodige documenten moet aangevraagd worden, en of de 'melding van geplande werken' al of niet zal opgenomen worden in het vergunningsregister (de huidige 'meldingsplicht'). Dus meer dan een 'onontvankelijkheidsbewijs' bij de meldingsplicht, of een vergunning 'light', maar een BINDEND antwoord van de gemeente op ALLE meldingsberichten. Als de gemeente de nota onvoldoende vindt om te kunnen antwoorden, kan ze nog altijd bijkomende informatie vragen. Dat zou eenvoudig zijn, goedkoper voor de burger, en iets zijn dat echt heel gemakkelijk te communiceren is, en bovendien de burger een echt houvast en rechtszekerheid zou geven, zonder dat hij iets moet kennen van de doolhof van gewestelijke of gemeentelijke regeltjes. (Wat niet uitsluit dat men de complexe regelgeving vereenvoudigt, cfr. het gegeven voorbeeld van werken met en zonder vergunning). Wanneer vooraf al duidelijk is dat een vergunning nodig is, kan men het meldingsbericht overslaan, en meteen een vergunningsaanvraag indienen. Dat de vraag van de gemeenten om in de procedure van de melding de mogelijkheid tot versturen van een onontvankelijkheidsbewijs in te bouwen niet werd gevolgd door de decreetgever kan ik alleen maar met u betreuren. Zoiets zou veel problemen kunnen voorkomen. Vreemd dat dit niet gevolgd werd, met zoveel gemeentemandatarissen in het Vlaams parlement. Ik zou dus nog veel verder gaan, wat de burger ten goede komt, in plaats van dat hij het nu zelf maar moet uitzoeken. En het zou inderdaad veel efficiënter zijn dan achteraf bij de vrederechter te moeten gaan.

voor een vergunning 'light'

@ Ph. Van den Abeele

Het is mij een raadsel waarom u een groep opiniemakers die in een opiniestuk opkomt voor hun mening moet beschuldigen van leugens en het nastreven van een eigen agenda. Een Forum voor Democratie behoort hun mening met meer respect te behandelen, zelfs als men het met die mening niet eens is. Ik geef u alvast gelijk waar u stelt de volgende passage niet te begrijpen: "andersom kunnen gemeenten constructies, die in strijd zijn met de regels op het vlak van ruimtelijke ordening, van vergunning vrijstellen of via meldingsplicht toelaten! Dat leidt tot kafkaiaanse toestanden: wie een vergunning aanvraagt voor een bouwwerk, mag niet van de voorschriften afwijken, maar wie hetzelfde bouwwerk zonder vergunning bouwt, kan wel afwijken." Die passage begrijp ik ook niet. Maar misschien dat u hen kan vragen dit te verduidelijken, eerder dan hen van leugens te beschuldigen. Ik treed de ondertekenaars wel in hun basisboodschap dat de meldingsplicht te ruim is.

De meldingsplicht is bedoeld voor zaken waarvoor men zich niet kan indenken dat ze door het bestuur geweigerd zouden worden, maar waarvoor men de burger toch niet wil vrijstellen van de verplichte samenwerking met een architect en een verplichte mededeling van de plannen aan de overheid. (zie artikel 4.2.2. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening: "De meldingsplicht betreft gevallen waarin de beoordelingsruimte van het bestuur minimaal is omwille van het eenvoudige en gangbare karakter van de betrokken handelingen, of de onderworpenheid van de handelingen aan nauwkeurige stedenbouwkundige voorschriften, verkavelingsvoorschriften of integrale ruimtelijke voorwaarden, vermeld in artikel 4.3.1, §2, tweede lid."). De meldingsplicht is nu door de Vlaamse Regering, in strijd met deze decretale bepaling, veel ruimer opgevat. Dit was overigens ook een bezwaar van de Raad van State, die in zijn advies bij deze tekst liet optekenen dat "het zeer de vraag (is) of alle in het ontwerp bepaalde gevallen waarin voortaan een meldingsplicht geldt, voldoen aan die voorwaarden" (advies 48.111/1 van 4 mei 2010, BS 10 september 2010). Een voorbeeld: het is nu perfect mogelijk om een kantoorgebouw in woonzone te verbouwen tot een horecazaak, zonder dat er welke controle dan ook is op de vraag of die horecazaak aanvaardbaar is op het vlak van mobiliteit. Ik ben er mij van bewust dat velen zullen vinden dat dit inderdaad moet kunnen. Anderen zullen een overheidscontrole voor dergelijke ingrepen in hun woonomgeving op prijs stellen. Los van de vraag wie in de meerderheid is, vind ik dat het aan het parlement is om dit te beoordelen, en niet aan de Vlaamse Regering om "en stoemelings" een dergelijke ingrijpende versoepeling van de vergunningsplicht in te voeren.

Niet alleen de meldingsplicht roept vragen op, ook de vrijstelling van vergunningsplicht doet dat. Vooral die vrijstelling zal leiden tot het "sluiks volbouwen van kleine stadstuinen". De vrijstelling voor vrijstaande bijgebouwen tot 40m² (voor zover ingeplant op 1 meter van de perceelsgrens en voor zover de hoogte beperkt is tot 3 meter) geldt zowel voor villa's op een domein van 1ha (tenzij ze gelegen zijn in ruimtelijk kwetsbaar gebied) als voor woningen in gesloten bebouwing met een tuin van 6 op 10 meter. De eigenaar die dat wil kan dat tuin bebouwen met een hok van 4 op 8 meter, midden in zijn tuinperceel (tenzij één en ander strijdig is met één of ander voorschrift, wat de eigenaar zelf, en op eigen risico, moet zien uit te vinden) Wie probeert zich zoiets in te beelden ziet toch in dat dit de wanorde inderdaad aanmoedigt. Ook hier zullen velen vinden dat de overheid zich niet te bemoeien heeft met wat de eigenaar op zijn eigen perceel uitvoert, maar de hele idee van "ruimtelijke ordening" is juist dat de overheid zich hiermee in het algemeen belang juist wel te bemoeien heeft.

Opnieuw: velen stellen de bescherming van de wetgeving inzake ruimtelijke ordening op prijs, want die beschermt ook hun leefomgeving. Mijn idee is dan ook dat de Vlaamse Regering zijn huiswerk opnieuw moet doen. Doet ze dat niet, dan verwacht ik met de ondertekenaars van de opiniebijdrage dat vele gemeenten stedenbouwkundige verordeningen zullen maken om tot in het kleinste detail te regelen hoe allerlei van vergunning vrijgestelde constructies mogen worden opgericht. Want dat is voor de gemeente de enige manier om hier greep op te krijgen. Waarbij het opnieuw aan de burger is om zelf, op eigen risico, na te gaan of de geplande werken hieraan voldoen.

Mijn alternatief: een vrijstelling van vergunning voor de echte bagatels, een bouwvergunning light voor de kleinere werken: het decreet bepaalt op dit ogenblik dat een stedenbouwkundige verguning verleend moet worden binnen 75 of 105 dagen. Die termijn geldt zowel bij de aanvraag voor een tuinhuis als bij de aanvraag voor een spoorweg. Als men het zo kan organiseren dat die bouwvergunning light op enkele dagen tijd (of voor mij part onmiddellijk aan het loket) kan worden verleend op basis van een eenvoudige schets, dan heb je een regeling die bijdraagt tot zowel de rechtszekerheid als de administratieve vereenvoudiging.

voor minder vergunningen

natuurlijk mogen ze opkomen voor hun mening. Ik 'beschuldig' ze niet van leugens, ik geef aan waar ZIJ liegen. Het gaat er niet om dat ik het niet eens zou zijn met hun mening, of hun mening met meer respect zou moeten behandelen. Hun mening wil ik wel met respect benadelen (ik zeg zelfs dat ze voor sommige zaken 'een punt hebben'), maar ik heb geen enkel respect voor hun leugens.

U weerlegt ook niet dat de drie aangehaalde punten geen leugens of foute of niet onderbouwde beweringen zouden zijn.

Inhoudelijk kan ik hier niet op alles ingaan wat u schrijft, of ik moet een lange verhandeling schrijven.

Enkele reactiepunten toch:
1. U schrijft: "De meldingsplicht is nu door de Vlaamse Regering, in strijd met deze decretale bepaling, veel ruimer opgevat. Dit was overigens ook een bezwaar van de Raad van State, die in zijn advies bij deze tekst liet optekenen dat "het zeer de vraag (is) of alle in het ontwerp bepaalde gevallen waarin voortaan een meldingsplicht geldt, voldoen aan die voorwaarden"
Antwoord: in het verslag aan de regering wordt op dit bezwaar ingegaan: "Inspelend op deze opmerking worden de meldingsplichtige werken in industriegebied beperkt tot de verbouwings- en uitbreidingswerkzaamheden aan een bestaand, hoofdzakelijk vergund industrieel of ambachtelijk bedrijf." De meldingsplicht is volgens mij zeker niet 'veel ruimer opgevat', na correctie op basis van het advies van de RvSt. Hij had nog veel ruimer mogen zijn.

2. U schrijft: "het is nu perfect mogelijk om een kantoorgebouw in woonzone te verbouwen tot een horecazaak, zonder dat er welke controle dan ook is op de vraag of die horecazaak aanvaardbaar is op het vlak van mobiliteit"
Antwoord: u haalt verschillende zaken aan die niets te maken hebben met de meldingsplicht, zoals de functiewijziging en de vrijstelling van vergunningsplicht. Een gebouw wijzigen van 'wonen' naar 'handel, horeca, kantoorfunctie en diensten' is bv wel vergunningsplichtig. Van kantoor naar horeca is dat niet, omdat "handel, horeca, kantoorfunctie en diensten" in dezelfde categorie zitten, en men er waarschijnlijk van uitgegaan is dat er 'op het vlak van mobiliteit' niet veel verandert. De regels dat men al of niet een vergunning moet vragen bij een functiewijziging zijn niet "en stoemelings" ingevoerd, maar zijn reeds minstens tien jaar van toepassing.
Wie dus van een woning een hotel wil maken, heeft een vergunning nodig. Maar ook op dit vlak bedient de overheid zichzelf weer beter dan ze haar burgers toelaat. Op 26 april 2002 beslistte de regering ivm de functiewijzigingen: "Een stedenbouwkundige vergunning is niet vereist als de hoofdfunctie van een onroerend bebouwd goed geheel of gedeeltelijk wordt gewijzigd van een van de in het eerste lid opgesomde hoofdfuncties naar de hoofdfunctie gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen." Dit maakt het mogelijk vakantieparken als Hengelhoef zonder vergunning te wijzigen in een verblijf voor azielzoekers. Maar wee als u zonder vergunning een functie 'ambacht' omzet in 'wonen' of van 'verblijfsrecreatie' naar 'wonen': dan bent u strafbaar.

3. U schrijft dat "vooral die vrijstelling zal leiden tot het sluiks volbouwen van kleine stadstuinen".
Antwoord: terwijl in het opiniestuk de oorzaak van dat volbouwen op de meldingsplicht wordt gestoken. Daarom had ik dit opgenomen in mijn drie voorbeelden van leugens en foute beweringen. U bevestigt hiermee dat ik gelijk had. Uw voorbeeld van een bouw van 4 op 8 meter in een tuinperceel kan men inderdaad interpreteren als wanorde. Mooi is inderdaad waarschijnlijk anders, maar moet de ruimtelijke ordening zich daarmee bemoeien? Natuurlijk zeggen de planners, en u ook zegt dat de hele idee van "ruimtelijke ordening" is dat de overheid zich hiermee in het algemeen belang juist wel te bemoeien heeft. Wat is hier echter het 'algemeen belang'? Ik zie geen algemeen belang in een tuinhuis in een tuin. Hoogstens de storing van het esthetisch gevoel van een buur die kijkt op een tuinhuis in plaats van op een grasplein.

4. Waarom moet de gemeente 'tot in het kleinste detail' alles regelen? Als "veel gemeenten stedenbouwkundige verordeningen zullen maken om tot in het kleinste detail te regelen hoe allerlei van vergunning vrijgestelde constructies mogen worden opgericht" is dit natuurlijk een gevolg van de reglementitis die de ruimtelijke planners ingang hebben doen vinden. Met als gevolg dat het inderdaad de burger is die zelf, op eigen risico, moet nagaan of zijn geplande werken wel voldoen een de reglementitis. Dat risico wordt niet door hem veroorzaakt, maar hij is het slachtoffer van juist die drang om alles tot in het kleinste detail te willen regelen.

Een vergunning 'light' zou een mogelijkheid zijn. Ik schreef dat de meldingsplicht het voor de burger niet goedkoper maakt. Als bij dat 'light' een eenvoudige schets zou volstaan, zou het ook voor de burger goedkoper zijn, terwijl hij nu een volledig dossier moet indienen zoals voor een vergunningsaanvraag (komt gemakkelijk op meer dan 1.000 euro als een architect heel het huis moet opmeten en uittekenen voor zo een dossier). Mijn voorkeur: geen enkele meldings- of vergunningsplicht voor kleinere werken. Er bestaat nog zoiets als het burgerlijk wetboek tegen burenhinder.

Melding en vrijstellingen: enkele verduidelijkingen

Als mede-opsteller van het artikel over de meldingsplicht dat deze week in de Standaard verscheen, zou ik graag enkele zaken veruidelijken en ingaan op de reacties van de heren Vanden Abeele en De Preter. Beide heren hebben gelijk indien zij aankaarten dat de volgende passage tot verwarring leidt: "andersom kunnen gemeenten constructies, die in strijd zijn met de regels op het vlak van ruimtelijke ordening, van vergunning vrijstellen of via meldingsplicht toelaten! Dat leidt tot kafkaiaanse toestanden: wie een vergunning aanvraagt voor een bouwwerk, mag niet van de voorschriften afwijken, maar wie hetzelfde bouwwerk zonder vergunning bouwt, kan wel afwijken." Deze onduidelijkheid is te wijten aan de inkorting van het artikel die vlak voor verschijnen op vraag van DS is gebeurd, en niet grondig genoeg werd gecontroleerd. Onze fout. Toch duidt deze passage wel degelijk op enkele nogal absurde gevolgen van de Vlaamse Codex. De Codex laat toe dat gemeenten, zoals in de eerste zin aangehaald, voor hun grondgebied de vergunnings- en meldingsplicht kunnen verstrengen. Noodgedwongen zullen een aantal gemeenten dit doen, omdat voor de problemen op hun grondgebied de vrijstellingen en meldbare werken veel te verregaand zijn. De burger meent vanuit de berichtgeving in de pers van een vrijstelling te kunnen genieten, voert werken uit, en wordt met wat pech voor een overtreding geverbaliseerd. Voor de burger ons inziens geen vooruitgang. Dit is vergelijkbaar met het feit dat vele mensen ook niet zullen beseffen dat zij niet van de vrijstellingen kunnen genieten, noch werken melden, indien er voorschriften zijn die de werken verbieden. Wat we in het artikel willen aanklagen, is dat er enorm veel verantwoordelijkheid in de schoenen van de burger wordt geschoven; deze krijgt in de media te horen hoe soepel alles is geworden maar moet zelf maar uitvissen of er geen regel is die de werken toch verbiedt. We vrezen veel overtredingen. En de miserie voor de burger die volgt op een proces-verbaal overtreft vér de last van het verkrijgen van een vergunning. De kafkaiaanse toestand uit de tweede zin duidt op een ander artikel van de Vlaamse Codex. Deze stelt namelijk ook dat, indien gemeenten graag voor al hun burgers de vrijstellingen of mogelijkheid tot melding willen garanderen wars van bestaande verkavelingen, BPA's, ... dit ook kunnen regelen per verordening (art. 4.4.1 paragraaf 3 VCRO). Dit geeft in de praktijk de kafkaiaanse toestanden. Immers: wie een bouwaanvraag indient voor een grondige verbouwing van een pand, moet zich aan alle regels houden van het BPA, de verkaveling,... Hij/zij kan zeer beperkte afwijkingen bekomen na openbaar onderzoek, maar bij voorbeeld geen achterbouw in de tuinzone (geen afwijkingen op bestemming mogelijk). Echter, wie werken zonder vergunning uitvoert of meldt, kan dit ineens wel. We zien de de stedenbouwkundig ambtenaar al uitpuzzelen voor de burger aan het loket wat hij wel en niet op de bouwaanvraag moet zetten; wat hij kan vergunnen en wat de burger dan maar zonder vergunning later moet aanbouwen. Is dit nog begrijpelijk? Voor ons is dit Kafka. Uit de reacties van dhr. Vanden Abeele blijkt dat voor hem de oplossing heel eenvoudig zou zijn: schaf die regels dan af, zowel de voorschriften als de vergunningsplicht. En laat alles wat gebeurt in de tuinzone over aan het burgerlijk recht. Ik sluit me aan bij de stelling van dhr. De Preter dat een discussie zinvol is over een verkorte procedure voor werken die logischerwijze steeds vergunbaar zijn. De stedenbouwkundige ambtenaren zitten alvast niet op meer werk te wachten. Tegen vrijstellingen voor zonnepanelen, meldingsmogelijkheden voor interne verbouwingswerken e.d. richt dit artikel zich niet. Zelfs niet tegen het voorstel om binnen een kortere termijn tot eenvoudige werken te kunnen overgaan. Wél richt het artikel zich tegen een regeling waarbij de overheid zelfs niet meer bij machte is om vóór aanvang van de werken de mensen erop attent te maken dat ze een overtreding dreigen te begaan. En dit terwijl zo sterk de nadruk ligt op preventie in het handhavingsbeleid. In de adviesverlening hebben de gemeenten verzocht om in de procedure van de melding de mogelijkheid tot versturen van een onontvankelijkheidsbewijs in te bouwen, die veel narigheid zou kunnen voorkomen. M.a.w., de gemeenten zijn niet per se tegenstander van een snellere procedure voor niet-problematische werken; wel willen ze kunnen ingrijpen indien er problemen dreigen. Dit werd niet meegenomen in het goedgekeurde uitvoeringsbesluit. Jammer. Ook richt het artikel zich, samen trouwens met het advies van de VVSG, tegen de versoepelingen voor werken die echt wel veel impact hebben op de leefomgeving. Ik ben het absoluut oneens met de stelling van dhr. Vanden Abeele dat de toelaatbare bijgebouwen in de tuinzone niet zo problematisch zouden zijn. De ervaring op het terrein leert wel degelijk dat in een gebied met kleine percelen, aspecten als bouwdiepte, bouwhoogte, behoud van groen in het binnengebied cruciale thema's zijn. Ze leiden tot zeer bezwaren in openbare onderzoeken, zeer vele klachten van buren en vragen tot opmaak van een stedenbouwkundig pv. De impact van een gebouw nabij de perceelsgrens is immers zo veel groter voor eigenaars van een klein tuintje of koer. De mogelijkheden in de uitvoeringsbesluiten zijn op maat gesneden van de klassieke verkavelingen voor open en halfopen bebouwing; niet van een dens bebouwd gebied. We verwachten dan ook méér regeltjes van de gemeenten net voor deze dichtbebouwde gebieden. En dus méér overtredingen door burgers die zich van de regels niet bewust waren. Zeer jammer, zeker voor hen. De cruciale vraag in deze, is dan ook de vraag of deze kwesties door de ruimtelijke ordening moeten worden geregeld, of via het burgerlijk recht. En welke oplossing maatschappelijk niet alleen het meest verantwoord is, maar ook het meest efficiënt. Laten we de beslissing over welke werken ik moet verdragen van mijn buurman afhangen van een stedenbouwkundig voorschrift, voor allen gelijk? Of van mijn mogelijkheden, financieel en ander, om mijn buurman te dagvaarden? Moet iemand met een lastige buur minder mogen bouwen dan iemand met een buur die wat minder nauw kijkt? En tenslotte: compenseert de winst van wat minder stedenbouwkundig ambtenaren door de last, voor burgers en overheden, van meer gerechtelijke geschillen?

vergunningen

@ Ph. Van Den Abeele Ik heb niet de behoefte om op uw antwoorden punt per punt te repliceren. Al moet ik zeggen dat u voor iemand die de Vlaamse Regering voortdurend (terecht, en overigens zeer goed onderbouwd) bekritiseert wel merkwaardig veel belang hecht aan het zogenaamde "verslag van de Vlaamse Regering". Het zal mij benieuwen of die uitleg de (afdeling bestuursrechtspraak van) de Raad van State zal bekoren. Er loopt alvast een procedure tegen het vrijstellingsbesluit (de tool Reflex op de website van de Raad van State). Maar ik wel even terugkomen op uw slotbemerking: "Er bestaat nog zoiets als het burgerlijk wetboek tegen burenhinder". Hiermee bevestigt u eigenllijk de basisstelling van de auteurs van het opiniestuk, die beweren dat burenruzies worden aangemoedigd door deze regeling. Een burger die zich stoort aan een handeling van zijn buur die niet strijdig is met enige wettelijk voorschrift kan zich op grond van de zogenaamde evenwichtsleer wenden tot de vrederechter. Die kan dan oordelen dat die buur, ook al heeft hij op zich niets verkeerds gedaan, door zijn handelen het normale evenwicht tussen eigendommen verstoort, wat dan kan leiden tot een maatregel van de vrederechter om dit evenwicht te herstellen. Dit is absoluut geen volwaardig alternatief voor een overheidsregulering inzake kleinere werken, en wel om de volgende redenen: - het is een controle achteraf, als het kwaad al geschied is - er bestaat geen vaste regels: de vrederechters (er zijn 225 gerechtelijke kantons in België, elk met hun eigen vrederechter en enkele plaatsvervangers) oordelen autonoom, van geval tot geval. Gemeenten doen dat natuurlijk ook (als ze geen verordeningen maken), maar je kan ten minste aan het loket gaan vragen wat er in een gemeente normaal aanvaardbaar is. Bij vrederechters is dat uit den boze. - en bovenal: een procedure bij de vrederechter tussen buren leidt bijna altijd tot een conflict dat het samenleven grondig kan verpesten. Buren kunnen elkaar intimideren om geen procedure op te starten, of kunnen juist procedures opstarten om te intimideren. Dat alleen al verantwoordt een gemeentelijke controle op dit soort werken, waardoor één en ander los komt te staan van de vraag of buren willen, kunnen of durven te protesteren tegen dit soort werken. Als, in het geciteerde voorbeeld van een tuinhuis van 4 op 8 meter in een tuin van 6 op 10 meter een procedure bij de vrederechter als alternatief moet gelden voor een vergunning, is hiermee overduidelijk aangetoond dat de nieuwe regeling burenruzies aanmoedigt.