Vlaanderen noch 'versteend' noch volgebouwd

Naar jaarlijkse gewoonte komt Statbel ons in januari vertellen dat België het afgelopen jaar weer wat meer is 'versteend'. In Vlaanderen zou zelfs 26,4% 'bebouwd' zijn. Misleidende statistieken, want op slechts 7% van het Vlaams grondgebied staat een gebouw.

Het persbericht van Statbel werd door de meeste kranten min of meer ongewijzigd overgenomen. De versie van Het Laatste Nieuws:

"Eén vijfde van België is bebouwd. Dat blijkt uit statistieken voor 2010 van de FOD Economie. In totaal bestaat 6.092 km² van België uit bebouwd gebied. België versteent verder. Op 1 januari 2010 was 20 procent van het grondgebied bebouwd. In 2009 was dat 19,8 pct, tien jaar geleden 18,5 pct, twintig jaar geleden 16,3 pct en dertig jaar geleden 14,2 pct.
In 2009 kwam er 42 km² bij. In 2008 en 2007 was dat telkens 46 km². Begin 2010 bestond 6.092 km² uit bebouwd gebied. Daarmee wordt niet alleen woongebied bedoeld, maar ook fabrieksterreinen, wegen en recreatiegebied.
Brussel is voor 78,5 pct bebouwd, Wallonië voor 14,2 pct en Vlaanderen voor 26,4 pct. Woongebied neemt 8,3 pct in van het grondgebied, terreinen voor vervoer en telecommunicatie 6,5 pct. (belga/svm) "
Het artikel hier ...

De detailcijfers op de website van Statbel in 'Bebouwde gronden en aanverwante terreinen'

Vlaanderen is niet versteend noch volgebouwd

Statbel geeft de indruk dat 20% van België 'bebouwd' is en gebruikt 'versteent', in de betekenis van een perceel dat bebouwd is of verhard voor wegen of vliegvelden. Volgens hun definitie is 26,4% van Vlaanderen 'versteend'. Daarmee kunnen de groene jongens en meisjes weer gaan klagen dat 'Vlaanderen is volgebouwd' en er meer open ruimte moet komen. Zelfs als 26,4% van de percelen vol zou staan met gebouwen, zie ik nog niet goed dat Vlaanderen hiermee is volgebouwd, als er nog bijna VIER KEER meer ruimte is waar niets op staat. Trouwens, volgens het streefdoel van het Ruimtelijke Structuurplan Vlaanderen is er meer groen- dan woongebied: wonen (inclusief woonuitbreidingsgebieden!) krijgt ongewijzigd 227 500 ha toegewezen, terwijl 255 500 ha gaat naar bos, reservaat en natuur, overig groen en recreatie. Landbouwgebied is zelfs goed voor 750.000 ha (goed voor 55% van Vlaanderen). Daar staan wel boerderijen en huizen, maar niemand kan toch bij verstand beweren dat het landbouwgebied volgebouwd is.

Het vroegere 'Nationaal Instituut voor de Statistiek', nu afgekort Statbel, (of officieel ‘Algemene Directie Statistiek en Economische Informatie’ van de Federale Overheidsdienst (FOD) Economie, KMO, Middenstand en Energie), komt dus op een 'verstening' van 26,4% voor Vlaanderen. Het cijfer zal wel juist zijn, maar dan moet men vooreerst ook weten dat in de statistiek van ‘bebouwde gronden en aanverwante terreinen’ niet alleen de terreinen zitten met woningen en bedrijven op, maar ook de luchthavens, wegen, steengroeven, terreinen voor telecommunicatie en zelfs voor 1,5% ‘recreatiegebied en andere open ruimten’.

Verder wil 'versteend' ook helemaal niet zeggen een gebouw, of een weg. De 78,5% 'versteend' of 'bebouwd' in Brussel, 14,2% in Wallonië en 26,4% in Vlaanderen zegt niets over de werkelijke oppervlakte ingenomen door gebouwen op die ‘bebouwde percelen’. Een 'bebouwd perceel' kan bijvoorbeeld een hoeve zijn, omringd door een immens weiland of akkers, of nog een kasteel(tje) in een groot park. Die verstening van Statbel geeft dus alleen aan op hoeveel procent van de percelen er iets staat, maar helemaal niet hoeveel procent van de ruimte echt bebouwd is. Correcter zou dus zijn te zeggen dat op 20% van de kadastale percelen een gebouw of een andere constructie staat. Hoeveel dan echt bebouwd is komt met met de statistiek van Statbel niet te weten. Het Milieurapport 2005 opgesteld onder leiding van de Vlaamse Milieumaatschappij (MiraT 2005, gepubliceerd op 16 december 2005) deed wel een berekening van de oppervlakte die echt 'versteend' was, wat het rapport noemt: verzegeling van de bodemoppervlakte door gebouwen, wegen en andere constructies. Dus niet percelen met iets 'versteend' er op zoals Statbel doet, maar de echt 'versteende' oppervlakte. MiraT kwam toen tot het besluit dat slechts 12% van de Vlaamse bodem verzegeld was (cfr. pag. 163). De analyse gebeurde op basis van een digitale rasterversie van de landgebruikslaag van de topografische kaart van het Nationaal Geografisch Instituut. De agglomeraties van Gent en Antwerpen waren tussen de 30 en 40% versteend, de meeste gemeenten in de ruit tussen Gent, Antwerpen, Leuven en Brussel tussen 10 en 20% versteend, de meeste landelijke gebieden voor minder dan 10%, zelfs sommige voor minder dan 5%. Grondig zullen die cijfers ondertussen niet gewijzigd zijn als Statbel voor de 'verstening' rekent op een aangroei van 18,5% naar 20% gedurende de laatste tien jaar. Er klopt dus niets van als men beweert dat 'Vlaanderen volgebouwd is'. Zelfs agglomeraties als Gent en Antwerpen hebben nog tussen de 60 à 70% niet versteende ruimte.

Op slechts 7% van het Vlaams grondgebied staat een gebouw

In de nieuwsbrief Mijn Huis Mijn Recht van juni 2002 publiceerden we het resultaat van berekeningen gemaakt door Thierry Dierickx van de vereniging 'Ruimte voor Mensen'. Hij baseerde zich op gegevens van het Ministerie van Financiën, Administratie van het Kadaster, die normaal als dusdanig niet gepubliceerd worden. Deze kadastrale cijfers (stand januari 2000) houden verband met de bepaling van de onroerende voorheffing. Het betreft hier dus niet het aantal of de grootte van 'percelen', maar om wat effectief 'bebouwd' is, aangezien dit de maatstaf is om de onroerende voorheffing te berekenen. De percelen worden opgedeeld in verschillende klassen, met telkens een minimum en een maximum oppervlakte per klasse. Er is dus een kleine speling mogelijk bij de berekening van de werkelijk bebouwde oppervlakte. Wanneer een industriegebouw in de klasse P5 een bebouwde oppervlakte kan hebben tussen de 400 en 499 m2, welk cijfer moet men dan nemen? Er gebeurden daarom drie berekeningen: met de maximale bebouwing, met een gemiddelde, en een derde met telkens de minimum oppervlakte.

Met de hoogste grens komt men aan 7,36% bebouwde oppervlakte aan industrie, nijverheid, huizen, hoeven, kastelen, vakantieverblijven, buildings, appartementen, handelshuizen en dienstengebouwen in Vlaanderen.
Met de 'middenweg' komt men aan 6,99%.
Met de laagste grens krijgt men 6,35%.

Men kan dus rustig stellen dat op slechts ongeveer zeven procent van de totale Vlaamse grondoppervlakte een gebouw staat. Daar moet men naturlijk nog verharde maar niet bebouwde oppervlakten bijtellen, voornamelijk voor wegen, Maar Vlaanderen volgebouwd?? Een fabeltje.

Nederland en Duitsland zeer vergelijkbaar

We onderzochten in 2006 voor Mijn Huis Mijn Recht in detail hoe Vlaanderen er wat bebouwing voorstaat in vergelijking met Nederland en Duitsland. We gebruiken terug de 'verstening' van percelen, en niet de echte bebouwing zoals berekend door het Ministerie van Financiën. Volgens het Nederlands Centraal Bureau voor de Statistiek (Bodemgebruik in Nederland, 2000, toen geen recenter cijfer beschikbaar) is, als men dezelfde categorieën als voor België neemt, 16,9% van de totale landoppervlakte van Nederland 'bebouwd' (bebouwd en semi-bebouwd gebied, inclusief verkeerswegen en recreatie, zonder waterwegen en watergebieden onderhevig aan getij). Dit zijn voor Nederland gemiddelden tussen zeer dunbevolkte gebieden als Friesland, waar het bodemgebruik voor ‘totaal bebouwd’ slechts 5,45% bedraagt, tegen 17,84% voor Noord-Brabant, 22,38% voor Utrecht en 25,16% voor Zuid-Holland. Vergelijkbare cijfers dus voor Vlaanderen met de dichtbevolkte delen van Nederland. Het valt op dat niet zozeer 'bebouwd' erg verschillend is tussen Vlaanderen (15,8% bodemgebruik) en bijvoorbeeld Utrecht (14,02%) en Zuid-Holland (14,64%), maar dat verkeer meer dan dubbel zoveel plaats inneemt in Vlaanderen (7,7%) dan in Utrecht (3,55%) en Zuid-Holland (3,79%). De files zijn er dan ook dagelijks honderden kilometer langer dan hier.

Volgens het Statistisches Bundesamt (in de Fachserie 3, Reihe 5.1, 2004) bedraagt de bebouwde oppervlakte van Duitsland eind 2004 12,8%, tegen dus 26,4% voor Vlaanderen (in 2010). Nog steeds in de betekenis van een perceel waarop iets staat. Dit is echter een onbruikbare vergelijking met Vlaanderen, want het Duitse gemiddelde omvat zeer uitgestrekte en dun bevolkte deelstaten met meerdere keren de opervlakte van Vlaanderen (Vl: 13.522 km2, 446 inw/km2), zoals Mecklenburg-Vorpommern (23 178 km2, 74 inwoners per km2), Brandenburg (29 478 km2, 87 inw/km2), Beieren (70 552 km2, 176 inw/km2) en meer bewoonde gebieden als Noordrein-Westfalen (34 084 km2, 530 inw/km2) en Berlijn (892 km2, 3 802 inw/km2). Het schortje Vlaanderen heeft geen Luneburger Heide (met 7 200 km2, meer dan de helft van Vlaanderen) of uitgestrekte wouden zoals in de deelstaten Hessen (woudoppervlakte 8 455 km2), Rheinland-Pfalz (8 236 km2 woud), Brandeburg (10 359 km2 woud), Schleswig-Holstein (11 200 km2 woud) en Beieren (24 634 km2 woud, bijna twe keer de oppervlakte van Vlaanderen..). Noordrein-Westfalen zit met 21,6% in de buurt van Vlaanderen (26,4%). Het distrikt Keulen (met de steden Keulen, Bonn, Aachen en Leverkusen), met iets minder inwoners dan Vlaanderen (4,3 miljoen, een iets grotere bevolkingsdichtheid dan Vlaanderen met 592 inw/km2) en een oppervlakte van ongeveer de helft van Vlaanderen (7.360 km2) komt op een totaal bebouwde oppervlakte van 24,3%. Ook behoorlijk in de buurt van Vlaanderen dus. Dat zijn wel allemaal cijfers die al enkele jaren oud zijn, maar nogmaals, zoals blijft bij de statistiek van Statbel, zeer snel wijzigen die cijfers niet op een spectaculaire manier.

Vlaanderen is dus niet veel meer volgebouwd dan Utrecht, Zuid-Holland of Noordrein-Westfalen.

Reacties

bebouwing

@ Ph. Van den Abeele In bovenstaande bijlage geeft u een zeer uitgebreide uiteenzetting over de gehanteerde statitistische gegevens. Wat u evenwel uit het oog verliest is dat men via statistieken vooral evoluties kan meten en vergelijkingen kan maken. Wat de gegevens van statbel weergeven is het totaal van de oppervlakte van bebouwde percelen, versus het totaal van de oppervlakte van onbebouwde percelen. Het klopt dus dat een kasteel op een park van enkele hectaren als een bebouwd perceel wordt geteld, maar dit alleen als dit park één kadastraal perceel uitmaakt (wat normaal niet het geval is). Het cijfer zegt niets over de totale voetafdruk van alle gebouwen in België, maar wel iets over de evolutie ervan. Als men jaar na jaar dezelfde berekeningswijze hanteert, dan kan men wel iets zeggen over trends. En uit de cijfers die zo worden weergegeven blijkt dat er toch een belangrijke trend is naar meer verstening. Bij uw vergelijking met de cijfers uit Duitsland of Nederland begaat u m.i. de fout om zeer dichtbevolkte gebieden te vergelijken met Vlaanderen in zijn geheel, alsof er in Vlaanderen geen relatief dunbevolkte gebieden zijn (denk maar aan de westhoek, of de Limburgse Kempen). Nederland heeft, globaal genomen, een bevolkingsdichtheid van 397 inwoners per km². Voor Vlaanderen is dit 462 inwoners per km³. Hierbij is evenwel ook de oppervlakte aan wateroppervlakte meegeteld, die in Vlaanderen verwaarloosbaar zijn, maar in Nederland niet. Na aftrek van die wateroppervlakten heeft Nederland, in zijn geheel, een bevolkingsdichtheid van 487 inwoners per km². De bevolkingsdichtheid is er dus, globaal gezien, met inbegrip van de dunbevolkte gebieden, hoger dan in Vlaanderen. Toch haalt Nederland, volgens de door u aangehaalde cijfers, een bebouwingspercentage van 16,9 %, tegen 26,4 % voor Vlaanderen. Als de methodologieën vergelijkbaar zijn, dan is dat verschil toch wel aanzienlijk. Daarbij komt ook dat één en ander totaal niets zegt over de versnippering. Als een huis van 100 m² midden in een tuin van 1000 m² staat, dan kan men die tuin moeilijk nog beschouwen als "open ruimte". Het huis versnippert die open ruimte. Hetzelfde geldt, op grotere schaal, voor een weg doorheen een landbouwgebied, indien er langs weerskanten van die weg lintbebouwing aanwezig is. Dezelfde bebouwing geconcentreerd in één woonwijk bij een woonkern, brengt veel minder schade toe aan het open karakter van de ruimte. Ook daar loopt Vlaanderen achterop. De bebouwingsdruk blijkt niet enkel toe te nemen, het beleid slaagt er evenmin in om de versnippering tegen te gaan. Zo blijkt uit recent onderzoek dat de geplande zogenaamde trendbreuk om 60 % van de bijkomende woningen te bouwen in de stedelijke gebieden niet gerealiseerd werd. Ik vind dan ook dat er geen reden is om denigrerend te doen over "groene jongens en meisjes" die klagen dat "Vlaanderen is volgebouwd en er meer open ruimte moet komen". Zij hebben daarin volkomen gelijk. Overigens: het pleidooi van de "groene jongens en meisjes" is doorgaans niet dat er meer open ruimte moet komen, maar dat degene die er nog is moet behouden worden. Verstening is een moeilijk omkeerbare handeling: eenmaal een perceel bebouwd is, gaat die bebouwing normaal nooit meer weg. Ooit zal de trend die uit de statistieken blijkt wel moeten stoppen, zoniet geraakt Vlaanderen inderdaad vol.

niet volgebouwd

Bedankt voor het weerwerk. Een discussie over de statistieken ga ik niet voeren.

Mijn hoofdbedoeling is een andere stem te laten horen tegen het al te gemakkelijk gebruikte 'Vlaanderen is volgebouwd', terwijl dat dus duidelijk niet waar is. Of er voldoende of te weinig 'open ruimte' is, teveel 'versnippering', is een ander thema dan zogenaamd 'volgebouwd' of 'versteend'. Hier komen we in ideologische beoordelingen terecht. U schrijft dat lintbebouwing meer schade toebrengt aan het open karakter van de ruimte, want "Dezelfde bebouwing geconcentreerd in één woonwijk bij een woonkern, brengt veel minder schade toe aan het open karakter van de ruimte." Kan de open ruimte 'schade' oplopen? Die 'schade' zit toch alleen in ons hoofd. En wat is er tegen 'versnippering'? Waarom 'lopen we achterop' als we niet compact gaan wonen om de 'open ruimte' te vrijwaren? Dat is er ons door de groene linkse jongens en meisjes ingeprent, vanuit hun links-stedelijke politieke ideologie.

Het dateert al van in de Middeleeuwen dat er in Vlaanderen diffuse bebouwing ('versnippering', lintbebouwing) bestaat, in tegenstelling tot bijvoorbeeld (Noord)-Nederland. ("In Nederland is er omwille van de geografische situatie - 24 procent van Nederland ligt onder de zeespiegel - altijd een grote behoefte geweest aan een sterke planning.. In België zijn dergelijke natuurlijke beperkingen of een planningsinstrument nooit aanwezig geweest. De topografie en de grondkwaliteit laten toe dat er .. vrijwel overal gebouwd kan worden". Uit het boek 'After-sprawl', van Xaveer De Geyter Architecten, 2002.). Dat de diversiteit er de laatste tientallen jaren op achteruitgaat, ligt dus niet aan de diffuse bebouwing die al vele eeuwen oud is, maar ondermeer aan (snel)wegen, spoorwegen, monocultuur in een landbouw met veel pesticides en herbicides.

Op de kaarten van Ferraris uit 1777 zien we dat de gronden van de 'Oostenrijkse Nederlanden' voor het grootste deel al in cultuur waren gebracht. Het land was toen reeds in relatief kleine kavels ingedeeld en dicht bezaaid met hofsteden en gehuchtjes, stadjes en steden.

Pas na WO II kwamen de collectivistisch geïnspireerde planologen met hun visie van de opdeling van het land in gebieden waarin slechts plaats was voor één functie: hier landbouw, daar industrie, alle mensen op een hoopje in grote blokkendozen in de stad (denk aan Le Corbusier en zijn eveneens communistische lokale volgeling architect Renaat Braem, die voor zichzelf echter wel een woning in halfopen bebouwing liet bouwen, die zondigde tegen meer dan tien bouwregels van Deurne, die hij zelf opgesteld had..). Ze verklaarden met de Gewestplannen de oorlog aan de diffuse stad Vlaanderen. Vanuit die ideologie, bedoeld om alle mensen in torens in compacte steden te stoppen, komt dan de verkettering van de tegenstanders, en vonden zij uit dat men 'schade' aanricht aan de open ruimte door te bouwen, dat 'versnippering' uit den boze is. Bob Van Reeth zegde het op zijn manier: "Het platteland is voor koeien, niet voor mensen. Daar moet zo weinig mogelijk gebouwd worden." (Milieukrant Antwerpen, december 2002). Die visie wordt niet door iedereen gedeeld: "Het Nederlandse model dat aan de basis lag van het RSV is volkomen achterhaald wat de Belgische werkelijkheid betreft. De uiteenlopende historische ontwikkelingen van beide landen maken het onmogelijk het Nederlandse model zomaar op de Belgische situatie toe te passen... In veel delen van Vlaanderen heeft de bebouwing zich zodanig verspreid dat een terugkeer naar de tegenstelling tussen stad en platteland niet meer reëel is, omdat de strikte scheiding tussen stad en platteland vervangen is door een gelijktijdige aanwezigheid van beide... Het concept 'Vlaanderen, open en stedelijk' komt te laat, na de feiten, tenzij tabulara rasa tot de mogelijkheden gaat behoren. Het teruggaan naar de twee tegengestelde basiscategorieën betekent voor grote delen van Vlaanderen in concreto immers het verwijderen van een groot gedeelte van het bestaande patrimonium in de voormalige open ruimte en het heropbouwen ervan in de voormalige stads- en dorpskernen". ('After-sprawl', boek van Xaveer De Geyter Architecten, 2002).

U bent te vriendelijk voor de groene jongens en meisjes als u stelt dat hun pleidooi doorgaans niet is dat er meer open ruimte moet komen, maar dat degene die er nog is moet behouden worden. Het is wel al een tijd geleden, maar de groenen waren wel degelijk voor afbraak van alle zonevreemde gebouwen, het verwijderen dus van een groot gedeelte van het bestaande patrimonium, zonder enige vergoeding, door het verbieden van onderhoudswerkzaamheden, gebonden aan eeuwigdurende bouwovertredingen met zware straffen. Toen ik in 2001 aan toenmalig Vlaams Agalev parlementslid Johan Malcorps, die in Berchem-Antwerpen woonde, vroeg waarom Agalev een ‘uitdoofbeleid’ verdedigde van zonevreemde woningen, was het eenvoudig antwoord: “Omdat ze mijn zicht hinderen als ik op zondag wandel op de buiten.” Vandaag zijn ze niet meer zo drastisch, maar ze willen toch nog steeds meer open ruimte. In het standpunt van Groen over milieu en natuur leest men vandaag: "We willen een blijvende versterking van de natuur: meer groene ruimte, meer bos en meer groen voor recreatie "

zgn versteend vlaanderen

Uw reacties zijn terecht, reeds einde 1990 had ik een soortgelijke berekening gemaakt, welke weliswaar gebaseerd was op minder nauwkeurige elementen, en had dit overgemaakt aan 'ruimte voor mensen' en enkele dagbladen, welke dagbladen uiteraard niet reageerden.

Meer verontrustend is de permanente onderliggende wil om de vlaamse bevolking systematisch misleidende informatie te geven, om zo de groen - linkse
politiek inzake RO verder te kunnen voeren: De wil om kleiner te wonen, liefst gestapeld, kleine terreinen, het permanent afstraffen van zonevreemden, het sluiks invoeren van termen zoals 'kwetsbare gebieden' zonder enige juridische basis, het doorvoeren allerhande plannen zonder erkenning van de juridische situatie van eigendommen noch toekenning van volledige planschade, en noem maar op!